Durven we het kind nog centraal te zetten? Een opa kijkt naar de JO7 van zijn kleinzoon en ziet het misgaan

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Morris en Tim

Durven we het kind nog centraal te zetten? Een opa kijkt naar de JO7 van zijn kleinzoon en ziet het misgaan

Op 9 december schreef ik op Puurvoetbalonline over de keuze van vv Eenrum om met de JO7 niet mee te doen aan fase 3 , de winterfase, van de competitie. Een bewuste keuze. Geen impuls, geen gemakzucht, maar een keuze waar al drie jaar lang over is nagedacht. Een keuze vóór het kind en niet vóór de kalender.
We zijn nu een maand verder. Het is 9 januari. Winterse omstandigheden bepalen het weerbeeld, velden zijn door de sneeuw onbespeelbaar. De meeste JO7-teams trainen , als het goed is, in de zaal. Warme voeten, plezier, balgevoel, lachen. Maar ondertussen staat 24 januari alweer rood omcirkeld: dan moet fase 3 beginnen. Ook voor de JO7.


jopie 2


En eerlijk is eerlijk: ik begrijp het niet en wil het niet begrijpen.

Ik schrijf dit niet als trainer, niet als bestuurder, maar als opa. Een opa die redelijk dicht bij het vuur zit. Mijn kleinzoon Tim voetbalt bij De Heracliden JO7. En ik kijk mee. Niet alleen met opa-ogen, maar ook met de ervaring van bijna 25 jaar actief zijn in het jeugdvoetbal. Ik heb van alles zien komen en gaan. Reglementen zien veranderen. En een veelvoud aan goedbedoelde plannen zien ontsporen.
Mijn dochter vraagt me weleens om mijn mening. En die geef ik. Altijd. Met één vast uitgangspunt: het kind staat bij mij voorop. Altijd. Geen uitzonderingen.

Juist daarom schuurt dit zo.
Waarom kiezen vrijwel alle clubs met een JO7-team niet voor een alternatief? Waarom geen zaaltoernooien in deze periode? Waarom geen andere vorm waarin plezier, ontwikkeling en veiligheid voorop staan? Waarom blijven we vasthouden aan een kalender die is bedacht achter een bureau, ver weg van natte velden, koude handjes en kinderen van zes?

Natuurlijk, ik weet het. Er zijn trainers en leiders die ook bij de JO7 fanatiek bezig zijn. Die alles strak willen organiseren. Die “eruit willen halen wat erin zit”. En eerlijk: fanatisme hoeft niet slecht te zijn. Maar bij zes- en zevenjarigen moet dat altijd worden afgeremd. Altijd.

En ja, er zijn ook trainers en leiders die het allemaal wel prima vinden. Die hun tas neerzetten, de kinderen laten lopen en denken: “Het komt wel goed.” Maar juist dat lakse gedrag baart me zorgen. Want als dát de toekomst van het jeugdvoetbal bepaalt, dan vrees ik het ergste. Misschien niet direct voor Morris, maar zeker voor Tim.

Want wat leren we die kinderen nu?

Dat voetbal doorgaat, ongeacht omstandigheden?
Dat plezier ondergeschikt is aan schema’s?
Dat de KNVB-kalender belangrijker is dan hoe een kind zich voelt? Een JO7 is geen mini-seniorenteam. Het zijn kinderen die soms nog met hun jas aan het veld op lopen. Die vergeten welke kleur shirt ze dragen. Die blij zijn als ze een bal raken. Die huilen omdat ze hun wanten kwijt zijn. En dan gaan we die in januari weer buiten “competitie spelen”.

Eenrum heeft drie jaar geleden durven zeggen: tot hier en niet verder. Wij doen niet mee aan fase 3. Niet omdat ze lui zijn. Niet omdat ze het voetbal niet serieus nemen. Maar omdat ze het kind serieus nemen.

Dat vraagt lef. Dat vraagt visie. Dat vraagt tegen de stroom in durven zwemmen.

En dat mis ik bij veel andere clubs.

We verschuilen ons te makkelijk achter “zo is het nu eenmaal geregeld”. Maar jeugdvoetbal is geen vaststaand natuurverschijnsel. Het is mensenwerk. En mensen kunnen keuzes maken.

Natuurlijk jeuken mijn handen weleens. Natuurlijk zou ik willen roepen: “Doe normaal!” Maar dat ga ik niet doen. Wat ik wél doe, is mijn zorgen delen. Omdat ik zie hoe kwetsbaar deze leeftijd is. Hoe snel plezier kan omslaan in tegenzin. Hoe één verkeerde fase, één verkeerde winter, een kind kan laten afhaken.

En als we daar straks over tien jaar de rekening voor gepresenteerd krijgen, moeten we niet verbaasd zijn.

Jeugdvoetbal begint niet bij winnen. Niet bij schema’s. Niet bij fases. Het begint bij een kind dat met plezier naar het veld – of de zaal – gaat.

Durven we die keuze nog te maken?

Eenrum durfde het.
Nu de rest nog.

Een boze, maar vooral bezorgde opa..