Ondergrens
Het was op zondag 11 januari de dag waarop de ijsbanen met alle geweld open moesten. Zo’n dag waarop je wist dat de kou niet alleen in je jas kroop, maar ook in je botten. Vanuit een warme kamer raakte ik in gesprek met iemand uit de voetbalwereld. Het gesprek ging niet over systemen, niet over uitslagen en zelfs niet over de ondergrens van een teamprestatie. Het ging over een andere ondergrens: die van de temperatuur.

De ondergrens waarop je nog bereid bent langs de lijn te staan. Of, in mijn geval, de ondergrens waarop ik mijn voetbalschoenen aantrek voor een pot Walking Football. Mijn gesprekspartner bekende zonder schaamte dat hij zichzelf een koukleum vond. Voor hem lag de ondergrens bij +18 graden. Pas dan wilde hij langs de lijn staan. Ik moest daar even over nadenken en gaf toen mijn eigen antwoord: +12 graden, droog, weinig wind en bij voorkeur een zonnetje. Pas dan wordt het voor mij aantrekkelijk om te gaan voetballen.
Hij moest erom lachen, maar ik meende het serieus. Misschien is het de leeftijd, misschien de ervaring, maar mezelf warm voetballen lukt alleen nog een beetje bij temperaturen richting de +20. Laat duidelijk zijn: dit ligt niet aan de trainingen van Henk. Die zijn prima. Het is simpelweg de realiteit van een lichaam dat niet meer vanzelf meewerkt om echt heel warm te worden
Dat gesprek deed me denken aan een artikel dat ik enige tijd geleden las over Running Football en Walking Football. Een artikel waarin ik mezelf volledig herkende. De schrijver haalde voorbeelden aan waarvan ik dacht: ja, dit klopt. Voetballers die meer dan fit zijn, die nog veel kunnen brengen, worden soms in een keurslijf geduwd dat je eigenlijk niet zou moeten willen.
De kern van het verhaal was dat Running Footballers het spel voor Walking Footballers leuker maken. Niet door het spel te overheersen, maar door het tempo, de intensiteit en de dynamiek net dat extra zetje te geven. En het mooie was: ook zij stapten met een voldaan gevoel van het veld. Niet omdat ze alles hadden beslist, maar omdat ze iets hadden toegevoegd.
Het verschil zat hem zelfs in iets kleins en veelzeggend: na afloop moest de sportkleding nu daadwerkelijk in de wasmand, in plaats van figuurlijk zo weer de kast in te kunnen. Er was gezweet. Er was gewerkt. Er was gevoetbald.
In gedachten ging ik terug naar de tijd bij de SV Bedum Oldstars, toen de helaas overleden Hans Apotheker en Tonnie Niemeijer nog deel uitmaakten van het team. Twee mannen zonder grote actieradius, zonder explosiviteit of snelheid, maar met een enorme waarde. Niemand keek daar vreemd van op. Niemand mopperde. Integendeel.
Voor Hans en Tonnie deed je als teamgenoot vanzelf een stapje extra. Je liep net iets meer, je schoof net iets vaker door, je hield rekening met hun spel. Niet uit medelijden, maar uit respect. En juist dat maakte het voetballen mooier
Het zorgde er ook voor dat ik bij het lezen van dat artikel dacht: wat zou ik dat graag willen. Running Footballer zijn. Niet omdat ik mezelf belangrijker vind dan een ander, en zeker niet voor persoonlijk gewin. Maar omdat mijn fitheid het toelaat en omdat ik geloof dat je daarmee je walking footballende teamgenoten ook beter kunt laten voetballen.
Dat is misschien wel de kern: beter laten voetballen. Niet harder, niet sneller, maar makkelijker. Meer opties bieden. Meer rust aan de bal creëren. Het spel net iets vloeiender maken. Het tempo aanpassen zonder het spel kapot te maken.
Want eerlijk is eerlijk: voetballen met de handrem erop zorgt er nu voor dat het spel voor mij pas bij +12 graden, droog, weinig wind en zon enigszins aangenaam wordt. Dat zegt niet alleen iets over de temperatuur, maar ook over de intensiteit. Over wat het spel nog met je doet.
Walking Football is een prachtige vorm van voetbal. Het brengt mensen samen, houdt ons in beweging en laat ons genieten van het spel dat we al zo lang kennen. Maar het mag ook schuren. Het mag ook uitdagen. En soms mag het net iets meer zijn dan wandelen alleen.
Misschien is het tijd om anders te kijken naar rollen binnen een team. Niet iedereen hoeft hetzelfde te doen of te kunnen. De een bewaart de rust, de ander brengt het loopvermogen. De een leest het spel, de ander maakt meters. Zoals het altijd al is geweest in het voetbal.
De ondergrens is niet alleen een kwestie van graden Celsius. Het is ook een mentale grens. Hoeveel wil je nog geven? Hoeveel mag je nog geven? En hoeveel durven we elkaar toe te staan?
Als we die ondergrens iets durven te verleggen, wordt het spel misschien niet kouder, maar juist warmer.

De ondergrens waarop je nog bereid bent langs de lijn te staan. Of, in mijn geval, de ondergrens waarop ik mijn voetbalschoenen aantrek voor een pot Walking Football. Mijn gesprekspartner bekende zonder schaamte dat hij zichzelf een koukleum vond. Voor hem lag de ondergrens bij +18 graden. Pas dan wilde hij langs de lijn staan. Ik moest daar even over nadenken en gaf toen mijn eigen antwoord: +12 graden, droog, weinig wind en bij voorkeur een zonnetje. Pas dan wordt het voor mij aantrekkelijk om te gaan voetballen.
Hij moest erom lachen, maar ik meende het serieus. Misschien is het de leeftijd, misschien de ervaring, maar mezelf warm voetballen lukt alleen nog een beetje bij temperaturen richting de +20. Laat duidelijk zijn: dit ligt niet aan de trainingen van Henk. Die zijn prima. Het is simpelweg de realiteit van een lichaam dat niet meer vanzelf meewerkt om echt heel warm te worden
Dat gesprek deed me denken aan een artikel dat ik enige tijd geleden las over Running Football en Walking Football. Een artikel waarin ik mezelf volledig herkende. De schrijver haalde voorbeelden aan waarvan ik dacht: ja, dit klopt. Voetballers die meer dan fit zijn, die nog veel kunnen brengen, worden soms in een keurslijf geduwd dat je eigenlijk niet zou moeten willen.
De kern van het verhaal was dat Running Footballers het spel voor Walking Footballers leuker maken. Niet door het spel te overheersen, maar door het tempo, de intensiteit en de dynamiek net dat extra zetje te geven. En het mooie was: ook zij stapten met een voldaan gevoel van het veld. Niet omdat ze alles hadden beslist, maar omdat ze iets hadden toegevoegd.
Het verschil zat hem zelfs in iets kleins en veelzeggend: na afloop moest de sportkleding nu daadwerkelijk in de wasmand, in plaats van figuurlijk zo weer de kast in te kunnen. Er was gezweet. Er was gewerkt. Er was gevoetbald.
In gedachten ging ik terug naar de tijd bij de SV Bedum Oldstars, toen de helaas overleden Hans Apotheker en Tonnie Niemeijer nog deel uitmaakten van het team. Twee mannen zonder grote actieradius, zonder explosiviteit of snelheid, maar met een enorme waarde. Niemand keek daar vreemd van op. Niemand mopperde. Integendeel.
Voor Hans en Tonnie deed je als teamgenoot vanzelf een stapje extra. Je liep net iets meer, je schoof net iets vaker door, je hield rekening met hun spel. Niet uit medelijden, maar uit respect. En juist dat maakte het voetballen mooier
Het zorgde er ook voor dat ik bij het lezen van dat artikel dacht: wat zou ik dat graag willen. Running Footballer zijn. Niet omdat ik mezelf belangrijker vind dan een ander, en zeker niet voor persoonlijk gewin. Maar omdat mijn fitheid het toelaat en omdat ik geloof dat je daarmee je walking footballende teamgenoten ook beter kunt laten voetballen.
Dat is misschien wel de kern: beter laten voetballen. Niet harder, niet sneller, maar makkelijker. Meer opties bieden. Meer rust aan de bal creëren. Het spel net iets vloeiender maken. Het tempo aanpassen zonder het spel kapot te maken.
Want eerlijk is eerlijk: voetballen met de handrem erop zorgt er nu voor dat het spel voor mij pas bij +12 graden, droog, weinig wind en zon enigszins aangenaam wordt. Dat zegt niet alleen iets over de temperatuur, maar ook over de intensiteit. Over wat het spel nog met je doet.
Walking Football is een prachtige vorm van voetbal. Het brengt mensen samen, houdt ons in beweging en laat ons genieten van het spel dat we al zo lang kennen. Maar het mag ook schuren. Het mag ook uitdagen. En soms mag het net iets meer zijn dan wandelen alleen.
Misschien is het tijd om anders te kijken naar rollen binnen een team. Niet iedereen hoeft hetzelfde te doen of te kunnen. De een bewaart de rust, de ander brengt het loopvermogen. De een leest het spel, de ander maakt meters. Zoals het altijd al is geweest in het voetbal.
De ondergrens is niet alleen een kwestie van graden Celsius. Het is ook een mentale grens. Hoeveel wil je nog geven? Hoeveel mag je nog geven? En hoeveel durven we elkaar toe te staan?
Als we die ondergrens iets durven te verleggen, wordt het spel misschien niet kouder, maar juist warmer.