Man van de Wedstrijd: Ruben Slager( De Heracliden) met of zonder scheenbeschermers

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten

Iedereen die weleens op of langs een voetbalveld heeft gestaan, weet dat een wedstrijd op allerlei manieren beslist kan worden. Door de doelpuntenmakers, natuurlijk. Door de felle controleur op het middenveld die met onuitputtelijke energie de ene na de andere bal verovert. Door de verdediger die onvermoeibaar zijn lichaam tussen bal en tegenstander gooit. Of door een doelman die met enkele cruciale reddingen zijn ploeg met een paar geweldige reddingen overeind houdt. Maar soms kan ook een scheidsrechter de man van de wedstrijd zijn. Een arbiter die een duel met lef, overtuiging en gevoel voor de wedstrijd leidt en daarmee voorkomt dat emoties de overhand krijgen. Iemand die op het juiste moment fluit, op het juiste moment door laat spelen en vooral niet vergeet dat voetbal ook gewoon voetbal moet blijven.Maar soms kan iemand om een totaal andere reden mijn man van de wedstrijd zijn.Dat gebeurde afgelopen zaterdag tijdens het duel tussen De Heracliden en ZEC.
logo

‘Denk jij dat die nummer 12 scheenbeschermers draagt?’ Het was een vraag die mij vanaf de zijlijn werd gesteld. Ik moest het antwoord schuldig blijven. Die nummer 12 was Ruben Slager van De Heracliden en eerlijk gezegd had ik geen idee. In mijn beleving voetbalde Ruben zonder scheenbeschermers. Of, en dat is misschien eerlijker gezegd, met scheenbeschermers die zo klein waren dat ze nauwelijks als scheenbeschermers herkenbaar waren. Ik moest er na de wedstrijd ineens aan denken dat ik daar in het verleden al eens een verhaal over heb geschreven. Over voetballers die een broertje dood hadden aan scheenbeschermers. Mannen die vonden dat zo’n plastic plaatje vooral in de weg zat en dat een echte voetballer daar helemaal niet op zat te wachten. De Italiaan Mario Corso was zo’n speler. Sören Lerby ook. En natuurlijk Wim van Hanegem. Voetballers van een generatie waarin ongemakken nog gewoon bij het voetbal hoorden en waarin een beetje pijn niet direct aanleiding was om naar de kant te gaan. Ook dichter bij huis kende ik dergelijke voetballers. Mannen als Wim Nube sr., Ard Torrenga en Wim Vos. Mannen die niet stonden te springen om allerlei beschermende attributen en die volgens mij het liefst zonder al die moderne voetbalaccessoires het veld op gingen. Tegenwoordig ligt dat allemaal anders.

Scheenbeschermers zijn verplicht. Prima. Daar is iets voor te zeggen. Voetbal is een contactsport en een flinke trap tegen het scheenbeen kan behoorlijk wat schade veroorzaken. Niemand zal ontkennen dat bescherming van het lichaam belangrijk is. Maar dan komt het merkwaardige gedeelte. Want als je als voetbalbond bepaalt dat iedere speler scheenbeschermers moet dragen, zou je toch verwachten dat je ook bepaalt wat onder een scheenbeschermer wordt verstaan. Hoe groot moet zo’n ding zijn? Welk gedeelte van het scheenbeen moet worden beschermd? Hoeveel bescherming biedt het minimaal? Daar wordt het ineens interessant. Want als ik de verhalen mag geloven, zijn er voetballers die een pakje Sportlife-kauwgom in hun sok stoppen en vervolgens kunnen zeggen dat ze scheenbeschermers dragen. Een beetje overdreven misschien, maar het beeld is duidelijk. Een minuscuul stukje kunststof, ergens onder de kous, en formeel is aan de verplichting voldaan. En precies daar zit wat mij betreft de merkwaardige kant van het verhaal. Je verplicht iets, maar je laat vervolgens een enorme ruimte om te marchanderen. Als een speler een scheenbeschermer draagt die nauwelijks groter is dan een pakje kauwgom, kun je je afvragen wat er met die verplichting eigenlijk wordt bereikt. Het doet mij denken aan regels die op papier prachtig klinken, maar in de praktijk hun doel volledig voorbijschieten. Nogmaals: ik weet niet hoe groot de scheenbeschermers van Ruben Slager zaterdag waren. Misschien had hij wel degelijk normale exemplaren onder zijn sokken en heb ik het simpelweg verkeerd gezien. Mijn ogen zijn ook niet meer die van een twintigjarige grensrechter. Maar mijn gevoel zegt dat ze klein waren. Heel klein. En dan dacht ik tijdens de wedstrijd vooral: Ruben mag blij zijn dat hij zonder gehavend scheenbeen uit de strijd komt. Want daar is die scheenbeschermer uiteindelijk voor bedoeld. Niet om een regeltje af te vinken. Niet om een scheidsrechter tevreden te stellen. Niet om na afloop te kunnen zeggen: ‘Ik had ze wel degelijk aan.’ Nee, bescherming is bedoeld om bescherming te bieden. En misschien moeten we daar bij de KNVB eens wat langer over nadenken. Want als je voetballers verplicht om scheenbeschermers te dragen, lijkt het mij niet zo ingewikkeld om ook vast te leggen wat een scheenbeschermer daadwerkelijk moet beschermen. Een minimale afmeting. Een minimale bedekking. Een eenvoudige, duidelijke norm. Dan weet iedereen waar hij aan toe is. Nu blijft het een merkwaardige situatie. De regel bestaat, maar de uitvoering kan kennelijk alle kanten op. En daarmee wordt de verplichting bijna een formaliteit. Zaterdag was Ruben Slager voor mij daarom de man van de wedstrijd. Niet omdat hij scoorde. Niet omdat hij een geweldige assist gaf. Niet omdat hij de wedstrijd eigenhandig besliste.Maar omdat één simpele vraag langs de lijn mij weer eens liet nadenken over een van de merkwaardigste regeltjes in het moderne voetbal.

En eerlijk gezegd hoop ik voor Ruben dat ik het helemaal verkeerd heb gezien. Want als die scheenbeschermers inderdaad zo klein waren als ik dacht, dan was hij misschien wel de moedigste man op het veld. Of gewoon de grootste geluksvogel. Want een scheenbeschermer die zijn werk niet kan doen, is uiteindelijk geen scheenbeschermer. Dan is het slechts een stukje plastic in je sok.