Stelling van de week: Een aanvoerder moet Nederlands kunnen spreken

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Even na praten



Met de stelling "Een aanvoerder moet Nederlands kunnen spreken" ben ik het roerend eens. Sterker nog: ik vind het eigenlijk vanzelfsprekend. Een aanvoerder is immers veel meer dan degene die met de band om zijn arm het veld op loopt. Hij is het verlengstuk van de trainer, de leider van de groep en het gezicht van de club. Hoe kun je die rol optimaal vervullen wanneer je de taal van je ploeggenoten, de staf, de supporters en de media niet of nauwelijks spreekt?


logo



Toch lijkt het de laatste jaren bijna een hype te zijn geworden om een buitenlandse speler tot aanvoerder te benoemen. Alsof dat een teken is van modern voetbal. Internationaal, professioneel en vooruitstrevend. Maar is dat werkelijk zo? Of vergeten we onderweg waar de functie van aanvoerder eigenlijk voor bedoeld is? Voetbal draait uiteindelijk om communicatie. Natuurlijk kun je met handgebaren, een paar Engelse kreten of een schouderklopje ook een eind komen. Maar een aanvoerder moet meer kunnen dan "come on", "press" of "good job" roepen. Hij moet kunnen ingrijpen wanneer de wedstrijd daarom vraagt. Hij moet een ploeggenoot kunnen corrigeren, jonge spelers kunnen coachen, een scheidsrechter te woord kunnen staan en in moeilijke fases rust kunnen brengen. Dat doe je niet met een beperkt vocabulaire.

En laten we eerlijk zijn: leer mij een voetballers kennen. In iedere kleedkamer worden grappen gemaakt. Er wordt geplaagd, gelachen en soms ook flink op elkaar afgegeven. Een speler die de taal niet spreekt, mist een groot deel van die dynamiek. Nog erger: hij wordt gegarandeerd meerdere keren in de maling genomen zonder dat hij het zelf doorheeft. Dat is misschien onschuldig, maar het laat wel zien dat taal een belangrijk onderdeel is van groepsvorming.

Een aanvoerder hoort juist midden in die groep te staan. Hij moet iedereen begrijpen én door iedereen begrepen worden. Niet alleen de internationals, maar ook de jonge talenten uit de eigen jeugdopleiding, de materiaalman, de verzorger en de supporters langs de lijn.

Daar komt nog iets bij. Een aanvoerder vertegenwoordigt zijn club ook buiten het veld. Na afloop van een wedstrijd wordt vaak juist hij voor de camera gehaald. Of het nu na een overwinning is of na een pijnlijke nederlaag: hij moet uitleg geven over de wedstrijd, verantwoordelijkheid nemen en de juiste woorden vinden. Steeds vaker zien we dat zo'n speler zijn verhaal in het Engels doet. Dat mag natuurlijk. Maar laten we niet doen alsof dat altijd soepel verloopt. De verslaggever stelt een vraag in het Engels, de speler antwoordt in gebrekkig Engels en vervolgens knikt iedereen alsof het een diepgravende analyse was. Ondertussen is de nuance verdwenen en blijft er weinig meer over dan standaardzinnen als: "We worked hard", "Next game is important" en "We deserved more." Supporters verdienen beter. Zij willen horen wat hun aanvoerder écht denkt. Waarom liep het mis? Wat werd er in de rust besproken? Hoe kijkt hij naar de prestaties van zijn ploeg? Dat verhaal komt pas echt over wanneer iemand zich kan uitdrukken in de taal van het land waarin hij speelt. Bovendien is een aanvoerder ook een uithangbord van de club. Clubs investeren veel geld in hun identiteit. Ze praten over normen en waarden, verbinding met de regio en betrokkenheid van supporters. Dan is het vreemd als juist de speler die het gezicht van de selectie is, nauwelijks met die achterban kan communiceren. Dat betekent overigens niet dat buitenlandse spelers geen uitstekende leiders kunnen zijn. Integendeel. Er lopen genoeg spelers rond met een geweldige mentaliteit, een enorme winnaarsmentaliteit en veel gezag binnen een selectie. Daar gaat deze discussie ook niet over. Het gaat over de vraag of je iemand die de Nederlandse taal niet beheerst, de allerbelangrijkste leidersrol binnen een Nederlandse club moet geven. Mijn antwoord blijft nee.

Gelukkig zijn er ook genoeg voorbeelden van hoe het wél kan. Neem Bram van Polen. Jarenlang het gezicht van PEC Zwolle. Niet de grootste vedette van de Eredivisie, maar wel iemand die precies wist wat er leefde binnen de club. Hij sprak de taal van zijn ploeggenoten én die van de supporters. Zijn interviews waren eerlijk, soms kritisch, vaak met humor en altijd begrijpelijk. Hetzelfde gold voor Mats Deijl als aanvoerder bij Go Ahead Eagles. Een speler die verantwoordelijkheid nam, helder communiceerde en dat uitstekend kon verwoorden waar zijn ploeg stond. Of denk aan Jordy Clasie. Rustig, ervaren en inhoudelijk sterk. Geen speler die zichzelf op de borst klopt, maar iemand die precies weet wat er gevraagd wordt van een aanvoerder. Zijn analyses na wedstrijden zijn vaak net zo waardevol als zijn spel op het veld. Dat zijn de boegbeelden waar clubs iets aan hebben. Spelers die de verbinding vormen tussen kleedkamer, staf, supporters en media. Zij vertegenwoordigen hun club op een manier die verder gaat dan negentig minuten voetbal.

Natuurlijk leven we in een internationale voetbalwereld. Selecties bestaan uit spelers uit alle windstreken. Dat is prima en verrijkend voor het voetbal. Maar dat betekent niet dat we iedere traditie of vanzelfsprekendheid overboord moeten gooien. Juist in een internationale omgeving is een aanvoerder die de taal spreekt van grote waarde. Hij kan bruggen slaan, nieuwe spelers helpen integreren en ervoor zorgen dat de communicatie binnen de selectie helder blijft. Misschien is het daarom helemaal niet zo'n gek idee om een eenvoudige voorwaarde te stellen: wil je aanvoerder zijn van een Nederlandse betaalde voetbalclub, dan moet je Nederlands kunnen spreken. Niet perfect, niet foutloos, maar wel voldoende om je ploeg, je trainer, de media en vooral de supporters te woord te staan. Want een aanvoerder is niet alleen de leider op het veld. Hij is ook de stem van de club. En die stem hoort verstaanbaar te zijn.