Stelling van de week: In een voetbalbestuur moet iemand in bezit zijn van een trainersdiploma
De stelling waar Jan ten Caat deze week mee kwam luidde: "In een voetbalbestuur moet iemand in bezit zijn van een trainersdiploma." Nog maar eens voor de duidelijkheid: het is een stelling en geen mening. Juist dat maakt het interessant, want een goede stelling zet aan tot nadenken en dwingt je om verschillende kanten van het verhaal te bekijken.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik hier niet direct een pasklaar antwoord op had. Hoe langer ik erover nadacht, hoe meer argumenten ik vóór de stelling kon bedenken. Tegelijkertijd zag ik ook direct de praktische bezwaren. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik de gedachte achter de stelling zeker kan waarderen, maar dat de uitvoering in de praktijk een stuk ingewikkelder ligt. Als je puur kijkt naar de inhoud, is het eigenlijk vreemd dat binnen veel voetbalverenigingen het technisch beleid wordt bepaald door mensen die zelf nauwelijks een technische achtergrond hebben. Bij de meeste clubs wordt veel gesproken over voetbalvisie, opleidingsplannen, speelwijze en de ontwikkeling van jeugdspelers. Dat zijn onderwerpen waarbij vakkennis een belangrijke rol speelt. Een trainersdiploma garandeert natuurlijk niet dat iemand alles weet, maar het laat wel zien dat iemand zich heeft verdiept in het voetbal, opleiding heeft gevolgd en kennis heeft van de manier waarop spelers en teams zich kunnen ontwikkelen.
Juist daarom spreekt de stelling mij aan. Een bestuur neemt beslissingen die soms jarenlang invloed hebben op een vereniging. Denk aan de aanstelling van een hoofdtrainer, het kiezen van een jeugdopleiding, het benoemen van een technisch coördinator of het vaststellen van een voetbalvisie. Dan is het prettig als er aan de bestuurstafel iemand zit die vanuit inhoudelijke kennis kan meepraten en niet alleen vanuit gevoel of persoonlijke voorkeur.
Toch zit daar direct ook het eerste probleem. Binnen een grote vereniging is de kans aanzienlijk groter dat er iemand rondloopt met een trainersdiploma die bovendien bereid is om een bestuursfunctie te vervullen. Grote clubs beschikken vaak over meerdere gediplomeerde trainers, technische commissies en vrijwilligers met veel ervaring. Daar is zo'n bestuursfunctie gemakkelijker in te vullen.
Bij kleinere verenigingen ligt dat heel anders. Daar is het vaak al een uitdaging om überhaupt alle bestuursfuncties bezet te krijgen. Vrijwilligers zijn schaars en dezelfde mensen vervullen regelmatig meerdere functies tegelijk. Als je dan als extra eis gaat stellen dat er iemand met een trainersdiploma in het bestuur moet zitten, maak je het voor veel verenigingen misschien wel onmogelijk om een volledig bestuur samen te stellen.
Dat maakt de stelling lastig uitvoerbaar. Je kunt immers moeilijk zeggen dat een vereniging niet goed bestuurd wordt omdat er toevallig geen gediplomeerde trainer beschikbaar is. Vrijwilligerswerk is geen beroep waarbij je eindeloos kunt selecteren. Vaak ben je al ontzettend blij als mensen bereid zijn hun vrije avonden op te offeren voor de club. Toch blijft bij mij de vraag hangen of het niet wenselijk zou zijn. En daar blijf ik volmondig "ja" op antwoorden.
Te vaak zie je namelijk dat beslissingen over het technisch beleid worden genomen door mensen die daar eigenlijk onvoldoende kennis van hebben. Dat is niemand persoonlijk kwalijk te nemen, maar het gebeurt wel. Een bestuurslid kan een uitstekende penningmeester zijn, een geweldige organisator of iemand met een enorm clubhart, zonder dat hij of zij verstand heeft van opleiden, trainingsopbouw of voetbalontwikkeling. Voetbal is de afgelopen twintig jaar enorm veranderd. Opleiden is veel professioneler geworden. Trainers volgen cursussen, leren over periodisering, talentontwikkeling, communicatie, mentale begeleiding en wedstrijdanalyse. Het technische beleid van een vereniging gaat inmiddels veel verder dan alleen bepalen in welke formatie het eerste elftal speelt.
Juist daarom is het belangrijk dat er binnen een bestuur iemand aanwezig is die die ontwikkelingen begrijpt en kan vertalen naar beleid. Niet omdat die persoon altijd gelijk heeft, maar omdat hij of zij vanuit kennis kan meedenken en de juiste vragen kan stellen. Zonder zo iemand zie je regelmatig dat het technisch beleid wordt overgelaten aan een goedwillende vrijwilliger. Vaak is dat iemand die jarenlang een gewaardeerde kracht in het eerste elftal is geweest. Daar is op zichzelf niets mis mee. Ervaring als speler kan ontzettend waardevol zijn en veel oud-spelers hebben een uitstekend gevoel voor voetbal. Maar helaas is dat lang niet altijd het geval. Het gebeurt ook regelmatig dat iemand verantwoordelijk wordt voor het technische beleid zonder ooit echt met opleiden of trainen bezig te zijn geweest. Soms is het simpelweg degene die bereid is de taak op zich te nemen. Dat is begrijpelijk vanuit het verenigingsleven, maar niet altijd de beste basis om richting te geven aan de voetbalontwikkeling binnen een club.
Nog lastiger wordt het wanneer persoonlijke voorkeuren de boventoon gaan voeren. Iedereen kent de verhalen wel. De trainer moet weg omdat een bestuurslid hem niet ziet zitten. Een jeugdtrainer wordt aangesteld omdat hij "altijd al bij de club rondloopt". Een speelwijze wordt aangepast omdat iemand vindt dat "we vroeger ook zo speelden". Dat soort beslissingen zijn vaak gebaseerd op gevoel in plaats van op een doordachte voetbalvisie. Een bestuurslid met een trainersdiploma hoeft zulke situaties niet volledig te voorkomen, maar kan wel zorgen voor meer inhoudelijke onderbouwing. Dat is uiteindelijk in het belang van de hele vereniging.
Daarbij wil ik overigens ook een misverstand uit de wereld helpen. Een trainersdiploma maakt iemand niet automatisch geschikt als bestuurder. Besturen vraagt namelijk om heel andere kwaliteiten. Je moet kunnen samenwerken, luisteren, beslissingen durven nemen, financiën begrijpen en boven de verschillende belangen binnen een vereniging kunnen staan. Een uitstekende trainer is niet per definitie ook een goede bestuurder.
Misschien ligt de oplossing daarom niet in een verplicht trainersdiploma voor bestuursleden, maar in een nauwere samenwerking tussen bestuur en een goed functionerende technische commissie. Dan blijft de bestuurlijke verantwoordelijkheid waar die hoort, terwijl de technische kennis wordt ingebracht door mensen die daar verstand van hebben. Toch blijft de gedachte achter de stelling overeind. Een vereniging wordt sterker wanneer bestuurlijke ervaring en voetbalinhoudelijke kennis elkaar aanvullen. Dat hoeft niet altijd in één persoon samen te komen, maar het zou wel mooi zijn als die kennis structureel vertegenwoordigd is bij de mensen die de koers van de club bepalen.
Dus om terug te komen op de oorspronkelijke stelling: ja, ik zou het een uitstekende ontwikkeling vinden als in ieder voetbalbestuur iemand met een trainersdiploma zitting heeft. Niet omdat een diploma alle problemen oplost, maar omdat voetbalinhoudelijke kennis thuishoort op de plek waar belangrijke beslissingen worden genomen. Alleen vrees ik dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie. Vooral bij kleinere verenigingen zal het simpelweg niet altijd haalbaar zijn. En juist daarom blijft deze stelling interessant. Ze laat zien hoe groot het verschil soms is tussen wat wenselijk is en wat daadwerkelijk uitvoerbaar blijkt binnen het amateurvoetbal.
Maar jammer blijft het wel.