De stelling van deze week : “Een winterstop voor de JO7 t/m JO10 van december tot 1 april.”
Op Puurvoetbalonline starten we een nieuwe rubriek. Geen theoretische verhandelingen, geen beleidsnota’s en geen modieuze termen die vooral goed klinken op studiedagen of in vergaderzalen. In deze rubriek laten we de praktijk spreken. Elke aflevering leggen we één duidelijke stelling voor aan iemand uit het amateurvoetbal die ik persoonlijk goed ken. Mensen met ervaring, een uitgesproken mening en vooral de durf om die mening ook écht te delen.
Eén van de eersten die zonder enige aarzeling zijn medewerking toezegde, is Jan ten Caat. Zwager van mijn veel te vroeg overleden voetbalvriend Jan van Dijken, maar bovenal een man die al ruim veertig jaar in vrijwel alle geledingen van het amateurvoetbal heeft rondgelopen. Als speler, trainer, begeleider en beleidsmaker. Maar misschien nog wel het belangrijkst: als observator. Iemand met een scherpe, soms confronterende blik op wat er goed gaat – en vooral ook op wat er misgaat.
De stelling van deze week luidt:
“Een winterstop voor de JO7 t/m JO10 van december tot 1 april.”
Jan hoeft er niet lang over na te denken. “Ik pleit al jaren voor een langere winterstop,” zegt hij resoluut. “Stop gewoon het laatste weekend van november en begin pas weer rond 1 maart, mits het weer het toelaat. Dat is veel logischer dan dat kunstmatige gehaast dat we nu vaak zien.”
Volgens Jan wordt de realiteit van de wintermaanden structureel genegeerd.“We doen alsof het normaal is om jonge kinderen in januari op slechte velden, in de kou en soms in het donker te laten spelen. Terwijl iedereen weet dat het daar niet beter van wordt. Niet voor het spelplezier en niet voor de ontwikkeling.”
Hij ziet juist kansen door de langere winterperiode.“Na drie maanden in de zaal, of met andere activiteiten, wil ook de jongere jeugd weer graag naar buiten. Dan hebben ze er weer zin in. Daenthousiasme win je niet door ze in februari door de modder of in barre weersomstandigheden te laploeteren.”
De vervolgvraag ligt voor de hand: als je zo’n lange winterstop hanteert, werk je dan daarna gewoon fase 3 af? Over de fases is Jan ook duidelijk. “Ik heb niet zoveel met die fases,” zegt hij zonder omwegen. “Doe gewoon een najaars- en een voorjaarsreeks. Na het najaar herindelen en klaar. Dat is overzichtelijk, eerlijk en duidelijk voor iedereen.”
Volgens hem zijn de huidige fases vooral een papieren constructie geworden.“Het klinkt allemaal prachtig, maar op het veld zie ik vooral verwarring. Trainers, ouders en soms zelfs spelers weten niet meer waar ze aan toe zijn.”
Dan komen we bij een onderwerp dat altijd discussie oproept: standen en uitslagen in de onderbouw, en ook draait Jan niet om de brij heen. “Gewoon uitslagen en standen bijhouden,” zegt hij stellig. “Je speelt een spel om te winnen. En ja, ook om te proberen eerste te worden.”
Hij verwijst daarbij naar zijn eigen jeugd. “Ik weet nog goed dat als wij hadden verloren, mijn vader altijd zei: ‘Had je maar beter je best moeten doen.’ Dat was geen hardheid, dat was duidelijkheid.”
Volgens de voetballiefhebber hoort winnen en verliezen bij sport. “In elke competitie moet iemand laatste worden. Dat is inherent aan sport. Dat kun je niet wegpoetsen met mooie woorden of door standen weg te laten.”
Daarmee raakt hij aan een gevoelig punt: het verwijt dat een langere winterstop zou neerkomen op pamperen.Iets wat hij resoluut van tafel veegt . “Nee, absoluut niet. Een langere winterstop voor de onderbouw heeft niets met pamperen te maken. Dat is gewoon je gezond verstand gebruiken.”
Hij benadrukt dat het juist gaat om betere omstandigheden. “Je helpt kinderen niet door ze koste wat kost wedstrijden te laten spelen. Je helpt ze door ze plezier te laten beleven, ze uit te dagen en ze op het juiste moment weer het veld op te sturen.”
Toch ziet hij dat gezond verstand lang niet altijd leidend is.“Maar helaas,” besluit hij , “daar schort het nog weleens aan in het amateurvoetbal.”
Een conclusie die schuurt. Maar precies dát is waar deze rubriek voor bedoeld is: de praktijk laten spreken. Ongefilterd, herkenbaar en soms confronterend.
Eén van de eersten die zonder enige aarzeling zijn medewerking toezegde, is Jan ten Caat. Zwager van mijn veel te vroeg overleden voetbalvriend Jan van Dijken, maar bovenal een man die al ruim veertig jaar in vrijwel alle geledingen van het amateurvoetbal heeft rondgelopen. Als speler, trainer, begeleider en beleidsmaker. Maar misschien nog wel het belangrijkst: als observator. Iemand met een scherpe, soms confronterende blik op wat er goed gaat – en vooral ook op wat er misgaat.
De stelling van deze week luidt:
“Een winterstop voor de JO7 t/m JO10 van december tot 1 april.”
Jan hoeft er niet lang over na te denken. “Ik pleit al jaren voor een langere winterstop,” zegt hij resoluut. “Stop gewoon het laatste weekend van november en begin pas weer rond 1 maart, mits het weer het toelaat. Dat is veel logischer dan dat kunstmatige gehaast dat we nu vaak zien.”
Volgens Jan wordt de realiteit van de wintermaanden structureel genegeerd.“We doen alsof het normaal is om jonge kinderen in januari op slechte velden, in de kou en soms in het donker te laten spelen. Terwijl iedereen weet dat het daar niet beter van wordt. Niet voor het spelplezier en niet voor de ontwikkeling.”
Hij ziet juist kansen door de langere winterperiode.“Na drie maanden in de zaal, of met andere activiteiten, wil ook de jongere jeugd weer graag naar buiten. Dan hebben ze er weer zin in. Daenthousiasme win je niet door ze in februari door de modder of in barre weersomstandigheden te laploeteren.”
De vervolgvraag ligt voor de hand: als je zo’n lange winterstop hanteert, werk je dan daarna gewoon fase 3 af? Over de fases is Jan ook duidelijk. “Ik heb niet zoveel met die fases,” zegt hij zonder omwegen. “Doe gewoon een najaars- en een voorjaarsreeks. Na het najaar herindelen en klaar. Dat is overzichtelijk, eerlijk en duidelijk voor iedereen.”
Volgens hem zijn de huidige fases vooral een papieren constructie geworden.“Het klinkt allemaal prachtig, maar op het veld zie ik vooral verwarring. Trainers, ouders en soms zelfs spelers weten niet meer waar ze aan toe zijn.”
Dan komen we bij een onderwerp dat altijd discussie oproept: standen en uitslagen in de onderbouw, en ook draait Jan niet om de brij heen. “Gewoon uitslagen en standen bijhouden,” zegt hij stellig. “Je speelt een spel om te winnen. En ja, ook om te proberen eerste te worden.”
Hij verwijst daarbij naar zijn eigen jeugd. “Ik weet nog goed dat als wij hadden verloren, mijn vader altijd zei: ‘Had je maar beter je best moeten doen.’ Dat was geen hardheid, dat was duidelijkheid.”
Volgens de voetballiefhebber hoort winnen en verliezen bij sport. “In elke competitie moet iemand laatste worden. Dat is inherent aan sport. Dat kun je niet wegpoetsen met mooie woorden of door standen weg te laten.”
Daarmee raakt hij aan een gevoelig punt: het verwijt dat een langere winterstop zou neerkomen op pamperen.Iets wat hij resoluut van tafel veegt . “Nee, absoluut niet. Een langere winterstop voor de onderbouw heeft niets met pamperen te maken. Dat is gewoon je gezond verstand gebruiken.”
Hij benadrukt dat het juist gaat om betere omstandigheden. “Je helpt kinderen niet door ze koste wat kost wedstrijden te laten spelen. Je helpt ze door ze plezier te laten beleven, ze uit te dagen en ze op het juiste moment weer het veld op te sturen.”
Toch ziet hij dat gezond verstand lang niet altijd leidend is.“Maar helaas,” besluit hij , “daar schort het nog weleens aan in het amateurvoetbal.”
Een conclusie die schuurt. Maar precies dát is waar deze rubriek voor bedoeld is: de praktijk laten spreken. Ongefilterd, herkenbaar en soms confronterend.