Nieuwe rubriek, een stelling: We proppen onze jeugd te snel vol met opdrachten
Op Puurvoetbalonline starten we een nieuwe rubriek. Een rubriek waarin geen ruimte is voor theoretische verhandelingen, beleidsnota’s of modieuze termen die vooral goed klinken op studiedagen. In deze rubriek laten we de praktijk spreken. Elke aflevering leggen we een duidelijke stelling voor aan iemand uit het amateurvoetbal die ik persoonlijk goed ken. Mensen met ervaring, een uitgesproken mening en vooral de durf om die mening ook echt te delen.
Eén die zonder enige aarzeling zijn medewerking toezegde, is Jan ten Caat. Zwager van mijn veel te vroeg overleden voetbalvriend Jan van Dijken, maar bovenal een man die al ruim veertig jaar in vrijwel alle geledingen van het amateurvoetbal heeft rondgelopen. Als speler, trainer, begeleider en beleidsmaker. Maar misschien nog wel het belangrijkst: als observator met een scherpe, soms confronterende blik op wat er goed gaat ,en vooral ook op wat er misgaat.

De stelling van deze week luidt:
“We proppen een jeugdspeler te snel vol met opdrachten.”
Jan is daar helder over. Twijfel lijkt bij hem niet te bestaan.“Dat gebeurt vooral omdat we daar veel te vroeg mee beginnen,” stelt hij. “Niet voor niets zijn er tot een bepaalde leeftijd alternatieve wedstrijdvormen. Die zijn ooit bedacht om kinderen vaker aan de bal te laten komen, plezier te laten maken en hun technische vaardigheden te ontwikkelen. Maar wat doen wij? We gebruiken die vormen en proberen er alsnog volwassen voetbal in te stoppen.” Volgens Jan ligt daar een fundamenteel probleem. ,,Tot het moment dat kinderen 11 tegen 11 gaan spelen, zou de volledige focus moeten liggen op balgevoel, durven dribbelen, oplossingen zoeken en vooral: fouten mogen maken. Het spel hoeft voor jonge voetballers helemaal niet ingewikkeld te zijn,” vervolgt hij. “Geef ze hooguit twee opdrachten mee: in dat doel moet je scoren en in dat andere doel mag de bal er niet in. Meer is echt niet nodig. Alles wat je daaraan toevoegt, haal je weg bij hun eigen denkproces.”Pas rond een jaar of twaalf, dertien ziet Jan ruimte om heel voorzichtig iets meer tactische elementen toe te voegen. ,,Dan zijn ze daar mentaal pas echt aan toe. Dan kun je gaan praten over ruimte, samenwerking en keuzes. Maar zelfs dan moet je oppassen dat je niet doorslaat. Voetbal blijft een spel, geen schaakwedstrijd.”
Die visie sluit naadloos aan bij zijn uitgesproken mening over zogenoemd geprogrammeerd trainen, waarbij trainers werken met vaste oefenstof en kant-en-klare programma’s. Jan is daar resoluut in: hij is geen voorstander. ,,Op die manier kweek je luie trainers,” zegt hij zonder omwegen. “Trainers die niet meer nadenken, niet meer kijken naar hun groep en geen gevoel ontwikkelen voor wat wel en niet werkt. Ze zetten gewoon de volgende oefening neer, omdat die op papier zo staat.”
Jan benadrukt dat hij in zijn loopbaan vrijwel al zijn oefenstof zelf heeft bedacht of bestaande oefeningen heeft aangepast. ,,Je hoeft het wiel niet elke week opnieuw uit te vinden,” geeft hij toe. “Maar je moet wel je eigen visie en overtuiging in je trainingen leggen. Anders train je niet, dan voer je uit.”
Volgens Jan is dat niet alleen beter voor de spelers, maar minstens zo belangrijk voor de ontwikkeling van de trainer zelf. ,,Door je eigen training te maken, leer je ook beter kijken en beter uitleggen. Ik heb ooit een trainer meegemaakt met een oefening waarin werkelijk niets lukte. De afstanden waren veel te groot voor die leeftijd, de intensiteit veel te hoog. Toen ik vroeg waarom hij het niet eenvoudiger maakte, kreeg ik als antwoord: ‘Ja, maar zo stond het op internet.’ Dan ben je eigenlijk uitgepraat.”
Zoals je Jan kent, bleef het daar natuurlijk niet bij. ,,Die oefening werd vrij snel aangepast,” zegt hij met een glimlach. ,,En laat dat duidelijk zijn: die programma’s kunnen in het begin best ondersteunend zijn. Zeker voor beginnende trainers. Het is altijd beter dan maar wat aanmodderen. Maar uiteindelijk moet een trainer leren zelfstandig na te denken. Anders word je zelf ook een pion die alleen maar op commando in beweging komt.”
En precies daar raakt Jan volgens hem de kern van het probleem.,,Dat is namelijk exact hetzelfde proces dat voetballers moeten doormaken. Die moeten in het veld leren om zelf beslissingen te nemen. Wanneer speel ik af? Wanneer ga ik dribbelen? Wanneer neem ik risico? Dat leer je niet door alles dicht te timmeren met opdrachten.”
Vrijheid, spelplezier en vertrouwen vormen volgens Jan de basis van iedere jeugdopleiding, hoe klein of groot een club ook is. ,,Als je het hoofd van een kind al op jonge leeftijd vol stopt met aanwijzingen, systemen en verboden, dan doof je creativiteit. En creativiteit is misschien wel het mooiste wat voetbal heeft.” Een boodschap die schuurt. Zeker in een tijd waarin schema’s, analyses en vaste leerlijnen steeds dominanter worden. Maar misschien is het juist daarom een boodschap die hard nodig is binnen het hedendaagse amateurvoetbal.
Eén die zonder enige aarzeling zijn medewerking toezegde, is Jan ten Caat. Zwager van mijn veel te vroeg overleden voetbalvriend Jan van Dijken, maar bovenal een man die al ruim veertig jaar in vrijwel alle geledingen van het amateurvoetbal heeft rondgelopen. Als speler, trainer, begeleider en beleidsmaker. Maar misschien nog wel het belangrijkst: als observator met een scherpe, soms confronterende blik op wat er goed gaat ,en vooral ook op wat er misgaat.

De stelling van deze week luidt:
“We proppen een jeugdspeler te snel vol met opdrachten.”
Jan is daar helder over. Twijfel lijkt bij hem niet te bestaan.“Dat gebeurt vooral omdat we daar veel te vroeg mee beginnen,” stelt hij. “Niet voor niets zijn er tot een bepaalde leeftijd alternatieve wedstrijdvormen. Die zijn ooit bedacht om kinderen vaker aan de bal te laten komen, plezier te laten maken en hun technische vaardigheden te ontwikkelen. Maar wat doen wij? We gebruiken die vormen en proberen er alsnog volwassen voetbal in te stoppen.” Volgens Jan ligt daar een fundamenteel probleem. ,,Tot het moment dat kinderen 11 tegen 11 gaan spelen, zou de volledige focus moeten liggen op balgevoel, durven dribbelen, oplossingen zoeken en vooral: fouten mogen maken. Het spel hoeft voor jonge voetballers helemaal niet ingewikkeld te zijn,” vervolgt hij. “Geef ze hooguit twee opdrachten mee: in dat doel moet je scoren en in dat andere doel mag de bal er niet in. Meer is echt niet nodig. Alles wat je daaraan toevoegt, haal je weg bij hun eigen denkproces.”Pas rond een jaar of twaalf, dertien ziet Jan ruimte om heel voorzichtig iets meer tactische elementen toe te voegen. ,,Dan zijn ze daar mentaal pas echt aan toe. Dan kun je gaan praten over ruimte, samenwerking en keuzes. Maar zelfs dan moet je oppassen dat je niet doorslaat. Voetbal blijft een spel, geen schaakwedstrijd.”
Die visie sluit naadloos aan bij zijn uitgesproken mening over zogenoemd geprogrammeerd trainen, waarbij trainers werken met vaste oefenstof en kant-en-klare programma’s. Jan is daar resoluut in: hij is geen voorstander. ,,Op die manier kweek je luie trainers,” zegt hij zonder omwegen. “Trainers die niet meer nadenken, niet meer kijken naar hun groep en geen gevoel ontwikkelen voor wat wel en niet werkt. Ze zetten gewoon de volgende oefening neer, omdat die op papier zo staat.”
Jan benadrukt dat hij in zijn loopbaan vrijwel al zijn oefenstof zelf heeft bedacht of bestaande oefeningen heeft aangepast. ,,Je hoeft het wiel niet elke week opnieuw uit te vinden,” geeft hij toe. “Maar je moet wel je eigen visie en overtuiging in je trainingen leggen. Anders train je niet, dan voer je uit.”
Volgens Jan is dat niet alleen beter voor de spelers, maar minstens zo belangrijk voor de ontwikkeling van de trainer zelf. ,,Door je eigen training te maken, leer je ook beter kijken en beter uitleggen. Ik heb ooit een trainer meegemaakt met een oefening waarin werkelijk niets lukte. De afstanden waren veel te groot voor die leeftijd, de intensiteit veel te hoog. Toen ik vroeg waarom hij het niet eenvoudiger maakte, kreeg ik als antwoord: ‘Ja, maar zo stond het op internet.’ Dan ben je eigenlijk uitgepraat.”
Zoals je Jan kent, bleef het daar natuurlijk niet bij. ,,Die oefening werd vrij snel aangepast,” zegt hij met een glimlach. ,,En laat dat duidelijk zijn: die programma’s kunnen in het begin best ondersteunend zijn. Zeker voor beginnende trainers. Het is altijd beter dan maar wat aanmodderen. Maar uiteindelijk moet een trainer leren zelfstandig na te denken. Anders word je zelf ook een pion die alleen maar op commando in beweging komt.”
En precies daar raakt Jan volgens hem de kern van het probleem.,,Dat is namelijk exact hetzelfde proces dat voetballers moeten doormaken. Die moeten in het veld leren om zelf beslissingen te nemen. Wanneer speel ik af? Wanneer ga ik dribbelen? Wanneer neem ik risico? Dat leer je niet door alles dicht te timmeren met opdrachten.”
Vrijheid, spelplezier en vertrouwen vormen volgens Jan de basis van iedere jeugdopleiding, hoe klein of groot een club ook is. ,,Als je het hoofd van een kind al op jonge leeftijd vol stopt met aanwijzingen, systemen en verboden, dan doof je creativiteit. En creativiteit is misschien wel het mooiste wat voetbal heeft.” Een boodschap die schuurt. Zeker in een tijd waarin schema’s, analyses en vaste leerlijnen steeds dominanter worden. Maar misschien is het juist daarom een boodschap die hard nodig is binnen het hedendaagse amateurvoetbal.