Inhaalprogramma: een begrip dat onder druk staat
Binnen het amateurvoetbal is het begrip inhaalprogramma jarenlang een vanzelfsprekend onderdeel van het seizoen geweest. Op vooraf door de KNVB vastgestelde dagen, die al voor aanvang van de competitie in het speelschema gepubliceerd worden,worden afgelaste wedstrijden opnieuw ingepland. Iedere speler, trainer en vrijwilliger weet: op een inhaaldag kan er gevoetbald moeten worden. Of je nu in het eerste, tweede of een lager team speelt, die kans is altijd aanwezig. Toch lijkt dat besef de laatste jaren steeds verder te vervagen. Wat ooit een logische en geaccepteerde aanvulling op het seizoen was, zorgt tegenwoordig steeds vaker voor verwarring, frustratie en vooral: onbegrip.

Een planning die niemand nog lijkt te zien
Het is opmerkelijk om te merken hoe vaak clubs tegenwoordig verrast lijken wanneer een inhaalwedstrijd op de agenda komt. Terwijl de betreffende datum al maanden, soms zelfs bijna een jaar, helder in het speelschema staat. Je zou denken: bekend is bekend. De kalender staat vast, iedereen kan zien wanneer een inhaaldag valt en daar zijn of haar planning op afstemmen. Maar dat blijkt in de praktijk steeds lastiger. Wanneer je als club hoort dat een team op zo’n zaterdag met een groot aantal afwezigen te maken krijgt, door vakanties, weekendjes weg of andere privéafspraken – begin je het langzaam beter te begrijpen. Het dilemma wordt pijnlijk zichtbaar: het speelschema wordt nog wel door de KNVB gemaakt, maar dat betekent allang niet meer dat iedereen daar ook rekening mee houdt.Klassenbehoud als utopie
Het gevolg is dat bestuurders en trainers soms voor onmogelijke keuzes komen te staan. Niet zelden wordt een team gedwongen om met een half ingevuld elftal aan te treden, omdat de kalender van individuele spelers leidend lijkt te zijn geworden. Je kunt als club nog zó’n mooi beleidsplan hebben, nog zó hard werken aan ontwikkeling, structuur of prestatie: als je de spelers niet beschikbaar hebt, wordt klassenbehoud eerder een utopie dan een reëel doel. Dan wordt het, heel simpel, een kwestie van alle kikkers in de kruiwagen zien te houden.Bestuurders met ‘bloed, zweet en tranen’ in de kantine
En daar zitten ze dan, in de bestuurskamer of in de kantine. De vrijwilligers, de clubmensen, zij die al jaren, soms decennia, ‘bloed, zweet en tranen’ hebben geïnvesteerd in hun vereniging. Dat zijn de mensen die vroeger zelf nooit een trainingsavond oversloegen, die hun vakantie planden ná het speelschema, en die het vanzelfsprekend vonden dat een team boven persoonlijke voorkeuren ging. Maar zij zijn tegenwoordig overgeleverd aan de grillen van een generatie die heel anders denkt en leeft.Een generatie die anders in sport staat
Afgelopen week sprak ik er nog met iemand over: we hebben te maken met een generatie die anders naar sport, tijd en verplichtingen kijkt dan wij vroeger deden. En hoe hard we ook proberen dat te veranderen, dat gaat niet meer gebeuren.Deze jongeren van nu groeien op in een wereld vol prikkels, mogelijkheden en alternatieven. Voetbal is voor velen niet meer de vanzelfsprekende nummer één, maar één van de vele opties in een drukke en gevarieerde vrijetijdsbesteding. Waar onze generatie voetbal beleefde als hét hoogtepunt van de week, beschouwen sommigen het nu als een activiteit die leuk is, maar vooral flexibel moet zijn. En flexibiliteit bestaat nu eenmaal niet in een strak speelschema met vaste inhaaldagen.