Jeugdvoetbal is geen militair oefenterrein. Wanneer stoppen we met deze waanzin?
Hoi johan mooi stuk op je site. Mijn zoon speelt in een O10-team . Onlangs liep een duel van hem zo uit de hand dat een ouder niet meer wou fluiten. Die werd uitgescholden door de trainer en ouders van de uitspelende club. Daarnaast werden de spelertjes van dat team gedrild richting de taken die ze uit moesten voeren. Geschreeuw etc . Mijn zoon was thuis nog van onder de indruk. Triest inderdaad. Plezier en ontwikkeling en fouten mogen maken hoort erbij. Wat jij beschrijft heb ik onlangs de kant ervaren en dat is, en dan druk ik mij nog zacht uit, niet best

Er zijn van die berichten, zoals het bovenstaande, die je eigenlijk helemaal niet wilt lezen. Berichten waarvan je hoopt dat ze niet waar zijn, waarvan je denkt dat iemand ze verkeerd heeft begrepen en waarvan je vooral hoopt dat ze een incident beschrijven. Maar helaas. Wie zijn ogen en oren openhoudt op de Nederlandse sportvelden, weet inmiddels dat dit soort situaties helemaal geen incidenten meer zijn. Ze komen ieder weekend voor. Op allerlei sportcomplexen, bij verschillende verenigingen en in alle lagen van het jeugdvoetbal.
Wat is er in vredesnaam aan de hand met het jeugdvoetbal? Wanneer zijn sommige trainers, leiders en ouders gaan denken dat ze een soort militaire instructeurs zijn die met geschreeuw, autoritair gedrag en een overdosis zelfoverschatting hun gelijk moeten halen?
Laten we één ding vooropstellen: jeugdvoetbal is er voor kinderen. Niet voor de ego's van volwassenen. Niet voor de persoonlijke frustraties van trainers die hun eigen voetbalcarrière nooit hebben kunnen verwezenlijken. En al helemaal niet voor volwassenen die blijkbaar denken dat ze door zo hard mogelijk te schreeuwen automatisch respect afdwingen. Want laten we eerlijk zijn: schreeuwen is geen leiderschap. Intimideren is geen coachen. En autoritair gedrag is bepaald geen bewijs van voetbalkennis. Toch lopen er op onze sportcomplexen volwassenen rond die daar kennelijk heel anders over denken.
Ze staan langs de lijn als opgefokte supporters, schreeuwen met bijna schuim in de mond kinderen voortdurend toe en menen zich overal mee te moeten bemoeien. Tijdens trainingen wordt er soms op een manier tegen kinderen gesproken waarvan je je serieus moet afvragen of die volwassene thuis ook zo tegen zijn eigen kinderen praat. En ondertussen noemt menig club dit begeleiden. Wat een treurige ontwikkeling.
Een kind komt naar de voetbalvereniging om te voetballen, niet om voor een training of wedstrijd met buikpijn naar het sportcomplex te gaan.
Kinderen moeten plezier hebben. Ze moeten fouten mogen maken, nieuwe dingen leren, zich ontwikkelen en vooral ontdekken wat ze leuk vinden aan het voetbalspelletje. Dat gaat niet vanzelf. Daarvoor heb je trainers nodig die begrijpen hoe kinderen leren. Mensen die weten dat een training een bepaalde opbouw nodig heeft, dat uitleg geven iets anders is dan voortdurend aanwijzingen schreeuwen en dat ieder kind zich op zijn eigen manier ontwikkelt. Je hoeft echt geen gediplomeerde toptrainer te zijn om een goede jeugdtrainer te worden. Gelukkig maar. Maar een beetje gezond verstand, pedagogisch inzicht, verstand van de materie en respect voor kinderen lijken mij toch wel de absolute basisvoorwaarden. En juist daar gaat het nogal eens mis.
Binnen veel verenigingen wordt er terecht gezocht naar vrijwilligers. Mensen die een team willen trainen, wedstrijden willen begeleiden of op een andere manier hun steentje willen bijdragen. Dat is prachtig en noodzakelijk. Zonder vrijwilligers bestaat het amateurvoetbal immers niet.
Maar het feit dat iemand bereid is om iedere zaterdag zijn vrije tijd op te offeren, betekent niet automatisch dat die persoon ook geschikt is om met kinderen te werken. Dat onderscheid lijken sommige verenigingen volledig uit het oog te verliezen.
Natuurlijk mag je als trainer eisen stellen. Natuurlijk mag je kinderen aanspreken op hun gedrag. Natuurlijk hoort er discipline bij een teamsport. Maar er bestaat een wereld van verschil tussen duidelijkheid en autoritair gedrag. Tussen corrigeren en vernederen. Tussen coachen en intimideren. Wie dat verschil niet begrijpt, heeft wat mij betreft weinig te zoeken in een begeleidende functie binnen het jeugdvoetbal.
En dan hebben we het nog niet eens over de verantwoordelijkheid van de clubs zelf. Want waar zijn de besturen? Waar zijn de jeugdcommissies? Waar zijn de voorzitters die weten wat er op hun eigen sportcomplex gebeurt? Het is allemaal prachtig om beleidsstukken te schrijven over normen en waarden, een veilig sportklimaat en pedagogisch verantwoord handelen. Het staat ongetwijfeld uitstekend op de website en in de presentatie voor de ledenvergadering. Maar papier is geduldig.
De werkelijkheid speelt zich af op het trainingsveld, in de kleedkamer en langs de lijn bij de wedstrijden . Dáár moet je als vereniging weten wat er gebeurt. Dáár moet je zichtbaar zijn. Niet alleen tijdens een sponsoravond, een bestuursvergadering of een nieuwjaarsreceptie, maar juist op de momenten waarop kinderen worden begeleid.
Een goede voorzitter loopt rondjes op zijn sportcomplex. Hij maakt een praatje, kijkt, luistert en vraagt hoe het gaat. Hij wacht niet totdat ouders hun beklag komen doen of totdat een jeugdspeler vertrekt naar een andere vereniging. Hij zorgt ervoor dat hij weet wat er leeft. Want wanneer ouders serieus overwegen om met hun zoon naar een andere club te vertrekken omdat ze het autoritaire gedrag van de ene begeleider en het voortdurende geschreeuw van de andere meer dan zat zijn, dan heb je als vereniging een probleem. Een serieus probleem.
Waarom vertrekt zo'n kind? Wat is er gebeurd? Wat hebben wij als vereniging laten gebeuren? En belangrijker: hoeveel kinderen zijn er inmiddels vertrokken zonder dat iemand zich ooit heeft afgevraagd waarom?
Als jeugdtrainer zijn mij dit soort toestanden bespaard gebleven. Natuurlijk waren er weleens meningsverschillen, waren er lastige momenten en moest er weleens worden opgetreden. Dat hoort erbij. Maar er bestaat een grens. Een grens die je als volwassene nooit mag overschrijden. En die grens lijkt bij sommigen inmiddels volledig verdwenen.
Misschien moeten we daarom eens stoppen met het eindeloos zoeken naar nieuwe trainers, leiders en andere kaderleden, zonder ons af te vragen wat voor mensen we eigenlijk binnenhalen. Misschien moeten we wat kritischer zijn. Misschien moeten we vrijwilligers niet alleen bedanken voor hun inzet, maar ze ook aanspreken op hun verantwoordelijkheid.
En nee, dat betekent niet dat iedere trainer op eieren moet lopen of dat kinderen nooit meer ergens op aangesproken mogen worden. Het betekent dat we eindelijk weer eens normaal moeten gaan doen. Het gaat om kinderen die plezier willen hebben in een spelletje dat wij allemaal zo mooi vinden.
Misschien is dat laatste wel de belangrijkste vraag die iedere jeugdtrainer zichzelf eens zou moeten stellen: zou ik mijn eigen kind met een gerust hart bij mezelf in het team zetten?
Als het antwoord daarop niet volmondig ja is, wordt het misschien tijd om eens heel kritisch naar jezelf te kijken. En voor de voorzitters en bestuurders van voetbalverenigingen heb ik nog een gratis advies: kom uit die bestuurskamer. Loop eens een rondje. Luister naar ouders. Praat met kinderen. Kijk hoe er getraind wordt en hoe er langs de lijn wordt gereageerd. Want een vereniging is meer dan een eerste elftal, een sponsorcommissie en een mooi clubgebouw. Een vereniging is er in de eerste plaats voor haar leden. En zeker voor de kinderen die daar met plezier hun sport willen beoefenen.
Het wordt hoog tijd dat we dat weer eens gaan begrijpen.
Want als een kind met plezier naar de training gaat, hebben volwassenen iets goed gedaan. Maar als een kind door afwijkend gedrag van volwassenen met tegenzin zijn voetbaltas inpakt, hebben ze collectief gefaald. En dat laatste zou op geen enkel sportcomplex normaal mogen worden gevonden.