Bondscontributie ook in de onderbouw van het jeugdvoetbal een grijs gebied
Het was deze zomer dat ik in gesprek raakte met een voorzitter van een voetbalclub en het onderwerp bondscontributie ter sprake kwam. Hij wist hoe ik dacht over het betalen voor iets waar je als Walking Footballer ongeveer evenveel voor terugkrijgt als Oekraïne op dit moment van Trumps Amerika mag verwachten. Helemaal niets

De voorzitter was het roerend met mij eens en besloot om daar richting de KNVB toch eens wat vragen over te stellen. Vragen die, zo bleek gisteren, nog altijd niet door de bond zijn beantwoord. Is dat een slechte zaak? Ja, natuurlijk is dat slecht. Als je als bond contributie int bij duizenden voetballers en voetbalsters, mag je op zijn minst verwachten dat er serieus wordt omgegaan met vragen vanuit de verenigingen. Had ik anders verwacht? Gezien mijn eigen ervaringen met de KNVB absoluut niet.
Maar het gesprek van gisteravond zette mij verder aan het denken. Want hoe zit het eigenlijk met die bondscontributie in de rest van het amateurvoetbal? Ik besloot vanmorgen, met dank aan het voordeel van het vroeg wakker zijn, eens wat verder te speuren. Daarbij viel mijn oog op een groep die weleens buiten beeld blijft in deze discussie: de jeugdvoetballers en voetbalsters in de onderbouw.
Ook zij moeten namelijk bondscontributie betalen. Voor ieder kind tot en met 11 jaar gaat het om 10 euro. Volgens de gedachte achter deze bijdrage betalen zij daarmee onder meer mee aan de organisatie van competities, opleidingen voor trainers, collectieve verzekeringen en arbitrage en tuchtzaken en aan het hebben van een spelerspas die pas vanaf 12 jaar nodig is.
Op papier klinkt dat allemaal prima. Niemand zal ontkennen dat een voetbalbond taken heeft en dat het organiseren van voetbal geld kost. Maar de vraag die je daarbij mag stellen, is heel simpel: wat krijgt een vereniging en uiteindelijk een kind daadwerkelijk terug voor die tien euro?
Duizenden kinderen tot en met 11 jaar leveren samen een bedrag op waar het paard van Sinterklaas spontaan de hik van krijgt. Het gaat dus niet om een paar tientjes die ergens binnenkomen, maar om een aanzienlijke geldstroom. Dan mag je toch verwachten dat daar een zichtbare meerwaarde tegenover staat. En precies daar begint voor mij het grijze gebied.
Want wie houdt zich binnen de verenigingen dagelijks bezig met het organiseren van wedstrijden, het oplossen van praktische problemen en het zorgen dat alles op zaterdag in goede banen wordt geleid? Juist, de vrijwilligers. En in het bijzonder de wedstrijdsecretarissen, die vaak achter de schermen bergen werk verzetten om de jeugd te laten voetballen.
Zij zijn degenen die puzzelen met wedstrijdschema's, contact onderhouden met andere clubs en oplossingen zoeken wanneer er iets misgaat. Zij zorgen ervoor dat kinderen kunnen voetballen en dat ouders niet iedere week met onnodige problemen worden geconfronteerd. Tijdens ons gesprek waren we het erover eens: het zijn vooral de wedstrijdsecretarissen die de kastanjes uit het vuur halen.
Maar welke rol speelt de KNVB daarin eigenlijk nog concreet? Natuurlijk heeft de bond een verantwoordelijkheid voor het organiseren en faciliteren van het voetbal. Toch is mijn indruk dat de bemoeienis met de onderbouw beperkt is en dat de dagelijkse praktijk, zeker wat onderbouw betreft, vooral door de verenigingen zelf wordt gedragen.
Daarmee ontstaat een ongemakkelijke verhouding. De rekening wordt betaald, maar de tegenprestatie is voor veel verenigingen niet duidelijk zichtbaar. En als vragen daarover vervolgens onbeantwoord blijven, wordt het lastig om begrip te blijven opbrengen voor de manier waarop de bondscontributie is geregeld.
Laat één ding duidelijk zijn: dit is geen pleidooi om de KNVB buitenspel te zetten hoewel, dit in andere delen van ons land met teams die eigen competities maken wel steeds meer toe neemt. Een bond heeft een functie en die functie mag best geld kosten. Maar daar hoort wel transparantie bij. Leg uit waar het geld naartoe gaat, maak duidelijk wat de verenigingen ervoor terugkrijgen en wees bereid om kritische vragen serieus te beantwoorden.
Want uiteindelijk gaat het om kinderen die met plezier tegen een bal willen trappen en vrijwilligers die dat mogelijk maken. Zij verdienen een organisatie die niet alleen contributie int, maar ook laat zien wat ze daarvoor doet.
Misschien wordt het tijd dat de KNVB niet alleen naar de inkomsten kijkt, maar ook eens kritisch naar de zichtbare meerwaarde voor de onderbouw. Want tien euro per kind lijkt misschien weinig, maar duizenden keren tien euro is een heel ander verhaal.
En zolang die meerwaarde niet duidelijk is, blijft ook de bondscontributie in de onderbouw een grijs gebied.