De sportparken zijn leeg, want we hebben vakantie
De sportparken zijn leeg, want we hebben vakantie. Dat werd mij zaterdagmorgen weer eens pijnlijk duidelijk. Op weg naar een interview kwam ik langs de voetbalvelden in Feerwerd, Warffum en Uithuizermeeden en zag ik lege sportparken. Winsum kon ik vanaf de Garnwerderweg niet goed overzien, maar het beeld zal daar niet veel anders zijn geweest. Geen jeugdspelers die achter een bal aan rennen, geen trainers die langs de lijn aanwijzingen geven en geen ouders die met elkaar staan te praten terwijl ze hun kinderen aanmoedigen. Het was stil. Veel te stil voor een zaterdagochtend waarop je normaal gesproken overal het geluid van voetballende kinderen verwacht.

Het is herfstvakantie en dus lijkt het erop dat een groot deel van het jeugdvoetbal in onze regio gewoon stilligt. Geen wedstrijden en vaak ook geen trainingen. Alsof het voetbal, zodra de schooldeuren een week dichtgaan, eveneens op slot moet. Dat beeld zette mij aan het denken, zeker omdat ik enkele dagen eerder nog een enthousiast telefoontje had gekregen van mijn kleinzoon Morris uit Velserbroek
Hij vertelde vol trots dat hij woensdagmiddag met de O10-1 van VSV Velserbroek een oefenwedstrijd had gespeeld tegen de O11-3 van dezelfde club. De uitslag was 11-5 in het voordeel van zijn team. Dat hij zelf vijf keer had gescoord, werd natuurlijk ook even vermeld. Als opa luister je daar met een glimlach naar. Je hoort het enthousiasme in zijn stem en merkt dat hij met plezier over voetbal praat. Maar al snel ging het gesprek over zaterdag 10 oktober. Dan staat er namelijk een toernooi in IJmuiden op het programma, bij Stormvogels. ,,Daar komen zes teams, opa, en ik heb er echt zin in.''
Kijk, daar word ik nou blij van. Een jongen die op woensdag een oefenwedstrijd speelt, op zaterdag alweer naar een toernooi uitkijkt en vooral bezig is met voetballen. Niet omdat het moet, maar omdat hij het leuk vindt. Omdat hij met zijn vriendjes op het veld wil staan, beter wil worden en graag wedstrijden speelt. Dat is toch precies wat je als jeugdopleiding wilt bereiken? Wat een contrast met de situatie die ik zaterdagmorgen in onze eigen regio aantrof. Hier lijkt de herfstvakantie voor veel jeugdteams te betekenen dat de voetbalschoenen voorlopig in de kast blijven staan. En dan vraag ik mij oprecht af: waarom eigenlijk?
Natuurlijk begrijp ik dat gezinnen in de vakantie andere plannen hebben. Sommige kinderen gaan met hun ouders op reis, anderen logeren bij opa en oma en weer anderen hebben gewoon behoefte aan een paar dagen rust. Daar is helemaal niets mis mee. Voetbal moet vooral leuk blijven en kinderen hebben meer nodig dan alleen een voetbalveld. Maar betekent dat automatisch dat er helemaal niet meer gevoetbald kan worden? Volgens mij niet. Wanneer een deel van de spelers afwezig is, kun je als vereniging toch kijken wat er wél mogelijk is? Voeg enkele groepen samen, overleg met de trainers en organiseer een gezamenlijke training voor de jongens en meisjes die niet op vakantie zijn. Misschien staan er geen twintig spelers op het veld, maar met acht, tien of twaalf enthousiaste kinderen kun je nog altijd een prima training verzorgen. Sterker nog, met kleinere groepen is er vaak meer ruimte voor individuele aandacht en kun je spelers op onderdelen extra laten oefenen. Het vraagt alleen wat organisatie, inzet en vooral de wil om er iets van te maken. En natuurlijk moeten de velden bespeelbaar zijn en moeten er trainers beschikbaar zijn. Niemand verwacht dat vrijwilligers hun hele vakantie opofferen. Maar tussen alles laten doorgaan en alles stilleggen zit een wereld van verschil.
Vroeger was het binnen veel verenigingen heel normaal om in vakantieweken te kijken hoe je toch iets kon organiseren. De beleving bij trainers, leiders en ouders leek in mijn ogen toen vaak groter. Voetbal was niet alleen een wedstrijd op zaterdag, maar ook een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven. Je was bezig met je team, dacht na over trainingen en wilde de kinderen iets bijbrengen. Als er een mogelijkheid was om te voetballen, dan probeerde je die te benutten.
Misschien romantiseer ik het verleden een beetje. Ook vroeger waren er trainers die het rustiger aan deden en ouders die andere prioriteiten hadden. Toch heb ik het gevoel dat de vanzelfsprekendheid waarmee we ons voor het jeugdvoetbal inzetten, in de loop der jaren is veranderd. Alles moet passen in de agenda en zodra het even lastig wordt, lijkt het soms eenvoudiger om de activiteiten maar te schrappen.
Maar laten we ook eens naar clubs kijken. Hoeveel trainen onze kinderen eigenlijk? Hoeveel tijd besteden ze aan het ontwikkelen van hun techniek, hun balgevoel en hun inzicht in het spel? En hoeveel kansen laten we liggen om ze extra te laten voetballen? Een uur trainen in de week en vervolgens op zaterdag een wedstrijdje spelen. Is dat voldoende om kinderen zich echt te laten ontwikkelen? In mijn tijd als jeugdtrainer trainden we twee keer per week anderhalf uur. Dat deed je omdat je plezier had in het trainen en omdat je het mooi vond om kinderen beter te zien worden. Je probeerde ze iets mee te geven, zowel als voetballer als mens. Je was trots wanneer een speler een beweging onder de knie kreeg die hij eerst niet beheerste of wanneer een team door goed samenspel een wedstrijd won.
Daarbij komt dat niet ieder kind vanzelfsprekend op straat voetbalt of thuis een balletje trapt. Voor veel kinderen is de vereniging dé plek waar ze met voetbal bezig kunnen zijn. Als ook daar de activiteiten regelmatig stilvallen, gaat er kostbare tijd verloren. Dan kom ik bij een andere vraag die mij bezighoudt: wie staat er tegenwoordig voor de groep? Begrijp me goed, ik heb veel waardering voor de vrijwilligers die zich inzetten voor het jeugdvoetbal. Zonder hen zouden heel wat verenigingen niet eens kunnen bestaan. Maar ik vraag me soms af waarom iemand trainer wordt. Omdat hij toevallig vader is van een speler? Of omdat hij werkelijk plezier heeft in het begeleiden en opleiden van kinderen?
Dat hoeft elkaar natuurlijk niet uit te sluiten. Veel vaders en moeders zijn uitstekende trainers en zetten zich met hart en ziel in voor hun team. Maar een jeugdtrainer moet meer willen zijn dan iemand die op zaterdag de wissels regelt en doordeweeks een uurtje op het veld staat. Het vraagt betrokkenheid, enthousiasme en de bereidheid om na te denken over de ontwikkeling van ieder kind.
Misschien moeten we daarom niet alleen praten over betere trainers, meer trainingsuren en een hoger voetbalniveau. Misschien moeten we vooral terug naar de basis: zorgen dat kinderen graag naar de club komen en dat er gevoetbald wordt wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is.
Toen ik zaterdagmorgen langs die lege sportparken reed, moest ik opnieuw denken aan het enthousiasme van mijn kleinzoon. Terwijl hij uitkijkt naar een toernooi met zes teams in IJmuiden, liggen de velden bij ons er verlaten bij. Dat verschil zegt niet alles, maar het roept wel vragen op. We willen betere voetballers, meer betrokkenheid en een sterkere jeugdopleiding. Dan moeten we daar ook naar handelen. Niet alleen praten over wat er allemaal beter kan, maar zelf initiatief nemen. Een extra training organiseren, groepen samenvoegen of in de vakantie een onderling toernooitje opzetten. Kleine stappen die ervoor kunnen zorgen dat de bal blijft rollen.
Zaterdagmorgen zag ik vooral lege sportparken. En eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik daarvan moet vinden. De herfstvakantie is begrijpelijk, maar dat het jeugdvoetbal daardoor vrijwel stilvalt, vind ik moeilijk te begrijpen. We klagen over het niveau, maar zijn we nog wel bereid om de tijd en energie te investeren die nodig zijn om dat niveau te verbeteren? Als ik afga op de lege velden van zaterdagmorgen, dan weet ik voorlopig wel hoe ik die vraag moet beantwoorden.