De 'voetbalouder' van nu moet nog een hoop leren
En toen gingen er vier jeugdduels niet door. Niet in een hele provincie. Niet in een stad. Niet vanwege een afgelastingsronde waarin tientallen wedstrijden uit het programma werden gehaald. Nee, gewoon op één sportpark. Vier wedstrijden die niet werden gespeeld omdat vier teams zich hadden afgemeld. Allemaal jeugdteams met kinderen van tien jaar of jonger. En dan begin je toch even na te denken.

Want kinderen van die leeftijd bepalen doorgaans niet zelf of ze op zaterdagmorgen hun voetbaltas pakken, hun schoenen aantrekken en naar het sportpark vertrekken. Daar gaan ouders over. Ouders bepalen of hun zoon of dochter naar de voetbal gaat, of dat er iets anders op het programma staat. En dus bekroop mij, toen ik gisteren dat bericht op mijn telefoon zag verschijnen, meteen een bepaalde gedachte. Zou het soms het mooie weer zijn geweest? Je kent het wel. De weersvoorspelling ziet er goed uit. De zon gaat schijnen. Misschien is het wel de laatste echte mooie dag van het jaar. En ineens liggen er andere mogelijkheden op tafel. Een dagje weg. Een bezoek aan familie. Een middag naar het strand. Een terrasje. Of gewoon lekker met het gezin ergens naartoe. Allemaal hartstikke leuk. Maar dan staat er dus ook nog een voetbalwedstrijd op het programma.
Voor de zekerheid heb ik nog even contact gezocht met het RIVM. Misschien was er sprake van een griepepidemie. Misschien was er een andere gezondheidsreden waardoor opvallend veel kinderen niet konden voetballen. Het antwoord was duidelijk: daar was absoluut geen sprake van. Dan blijft er dus maar één interessante vraag over: waarom kwamen die vier teams niet opdagen? Natuurlijk weet ik niet wat de daadwerkelijke reden van iedere afmelding is geweest. Misschien was er ergens echt iets aan de hand. Misschien waren er omstandigheden die ik niet ken. En het zou onterecht zijn om zonder die informatie meteen alle ouders over één kam te scheren.
Maar stel nou dat het inderdaad zo simpel was als: het kwam vandaag even niet uit. Dan vind ik daar wel van. Niet omdat kinderen van tien jaar oud iedere zaterdag verplicht op een voetbalveld moeten staan. Absoluut niet. Een kind moet ook gewoon kind kunnen zijn. Als het niet lekker is, ziek is, ergens mee zit of om een andere belangrijke reden niet kan voetballen, dan is dat natuurlijk een ander verhaal. Maar als een wedstrijd simpelweg moet wijken omdat er op dezelfde dag een leuker alternatief voorbij komt, dan ontstaat er iets anders. Dan gaat het niet meer alleen over voetbal. Dan gaat het over afspraken. Over verantwoordelijkheid. Over rekening houden met anderen. Want dat is misschien wel een van de belangrijkste dingen die kinderen leren wanneer ze gaan sporten. Ze leren niet alleen hoe ze een bal moeten aannemen, een tegenstander moeten passeren of moeten samenwerken op het veld. Ze leren dat je onderdeel bent van iets dat groter is dan jezelf. Als je met negen of tien kinderen in een team speelt, ben je niet alleen verantwoordelijk voor je eigen plezier. Je teamgenoten rekenen op je. De trainer rekent op je. De tegenstander rekent op je. En zelfs de ouders langs de lijn hebben hun zaterdag afgestemd op die wedstrijd.
Iedereen maakt tijd. Iedereen komt. Iedereen staat daar. En jij hoort erbij. Dat is de waarde van teamsport. Juist daarom vind ik het jammer wanneer een wedstrijd voor jonge kinderen wordt behandeld alsof het een vrijblijvende afspraak is die je kunt schrappen zodra er iets leukers op de planning staat. Want wat leert een kind daar dan van? Helemaal niets. Misschien vergeet het kind de afzegging binnen een paar uur. Maar misschien blijft er onbewust wel iets hangen. Dat afspraken niet zo belangrijk zijn.Dat anderen best op jou kunnen wachten. Dat je verantwoordelijkheid kunt laten vallen wanneer zich een aantrekkelijk alternatief aandient. En dat is volgens mij niet de boodschap die je als ouder mee moet geven. Sterker nog: volgens mij willen vrijwel alle ouders juist het tegenovergestelde.
Ze willen dat hun kinderen leren om afspraken na te komen. Dat ze rekening houden met anderen. Dat ze zich verantwoordelijk voelen. Dat ze onderdeel kunnen zijn van een groep en daar ook hun bijdrage aan leveren.
Maar kinderen leren dat niet alleen door het uit te leggen. Ze leren het vooral door wat wij als volwassenen voordoen. En daar zit misschien wel de kern van dit verhaal. Een kind van tien hoeft echt niet te begrijpen waarom een trainer teleurgesteld is wanneer vier teams zich afmelden. Een kind ziet vooral: we gingen vandaag niet voetballen. Maar een ouder kan wel begrijpen wat de gevolgen zijn. Voor de trainer die zijn voorbereiding voor niets heeft gedaan. Voor de vrijwilligers die het veld hebben klaargemaakt. Voor de tegenstander die misschien met ouders, broertjes en zusjes naar het sportpark is gekomen. Voor kinderen die wél stonden te trappelen om te voetballen. En uiteindelijk voor het teamgevoel zelf. Want een team bestaat bij de gratie van het feit dat mensen er zijn. Dat klinkt misschien zwaar voor kinderen van acht, negen of tien jaar. Maar juist op die leeftijd begin je met het aanleren van sociale waarden. Je leert verliezen. Je leert winnen. Je leert delen. Je leert wachten. Je leert samenwerken. En dus leer je ook: als anderen op jou rekenen, probeer je er te zijn. Natuurlijk hoeft voetbal nooit belangrijker te worden dan het gezin, gezondheid of andere wezenlijke zaken. Er zijn genoeg goede redenen om een wedstrijd af te zeggen. Maar laten we oppassen dat ‘het komt vandaag even niet uit’ niet te gemakkelijk een reden wordt. Want vier afmeldingen zijn op papier misschien maar vier afmeldingen. Maar voor de kinderen die wél gewoon konden voetballen, was het een gemiste wedstrijd.
Niet dat voetbal boven alles gaat. Maar wel dat je, wanneer je ergens voor kiest, ook leert dat anderen op je rekenen. En misschien is dát uiteindelijk wel een van de mooiste lessen die je je kind via voetbal kunt meegeven. Dat je niet altijd voor het leukste of makkelijkste kiest. Maar soms gewoon voor je team.