Een goed paard is nog geen ruiter

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

 

Er bestaat in het voetbal een hardnekkige romantische ziekte. Clubs blijven geloven dat een grote oud-speler automatisch een goede trainer, coach of uithangbord wordt. Alsof een verleden vol slidings, doelpunten en clubliefde vanzelf leiderschap, discipline en voorbeeldgedrag oplevert. Maar een goed paard is nog geen ruiter. En een groot voetballer is nog geen goede trainer. Toch trappen veel clubs er telkens weer in.


johan 1



De media schrijven sentimentele verhalen over “de verloren zoon” die terugkeert op het oude nest. Het klinkt prachtig. Totdat de werkelijkheid zich meldt. Want voetbal draait uiteindelijk niet om sentiment, maar om verantwoordelijkheid, voorbeeldgedrag en prestaties. Te vaak worden oud-spelers anders behandeld dan anderen. Gedrag dat bij een onbekende trainer direct tot kritiek of ontslag zou leiden, wordt bij een clubicoon ineens weggewuifd. Dan heet het plots “emotie”, “clubliefde” of “temperament”. Terwijl dezelfde houding bij een buitenstaander zou worden bestempeld als onprofessioneel, zwak of schadelijk voor de clubcultuur. Dat dubbele moraal is een kwalijke zaak.

Sommige clubs zetten oud-spelers zelfs bewust neer als menselijk schild. Een bekend gezicht langs de lijn zorgt voor rust. Supporters zijn milder voor een held uit het verleden. Sponsors herkennen een vertrouwd gezicht. Het uithangbord moet vooral warmte en herkenning uitstralen, zelfs wanneer de inhoud ontbreekt. Maar voetbal is geen reünie van oude helden.

Een trainer moet meer kunnen dan vroeger goed te kunnen voetballen. Hij moet leidinggeven, communiceren, analyseren, omgaan met druk, jonge spelers ontwikkelen en een groep corrigeren wanneer dat nodig is. Dat vraagt vakmanschap. Pedagogiek. Mentale stabiliteit. Autoriteit zonder ego. Niet iedereen bezit die kwaliteiten, ook niet als hij ooit meer dan vijftig interlands speelde.

Sterker nog: sommige voormalige topspelers zijn juist minder geschikt als coach. Omdat alles hen vroeger vanzelf leek af te gaan. Omdat zij moeite hebben te begrijpen waarom een gemiddelde speler bepaalde dingen níét kan. Een geboren genie is zelden de beste leermeester. Wie zelf nooit hoefde te vechten voor zijn plek, begrijpt soms amper hoe hij anderen moet begeleiden. En dan is er nog iets anders: gedrag.

Een trainer die langs de lijn voortdurend opgefokt, labiel of emotioneel ontspoort, straalt geen kracht uit maar onrust. Een ‘patiënt’ langs de lijn is geen reclame voor een club. Natuurlijk mag passie zichtbaar zijn. Voetbal leeft van emotie. Maar er zit een grens tussen betrokkenheid en ontregeling. Tussen vuur en zelfverlies. Toch worden oud-spelers opvallend vaak beschermd wanneer zij over die grens gaan.

Dan klinkt het ineens: “Zo is hij nu eenmaal.” Of: “Hij heeft een hart voor de club.” Alsof clubliefde een vrijbrief is voor gedrag dat men bij een ander nooit zou accepteren. Een onbekende coach die scheldend, overspannen of zichtbaar stuurloos langs de lijn staat, wordt binnen een maand afgeschreven. Maar een voormalig clubheld krijgt eindeloos krediet. Waarom?

Omdat clubs bang zijn voor de achterban. Omdat bestuurders liever populariteit kopen dan moeilijke keuzes maken. Omdat een oud-speler status meebrengt. En vooral omdat voetbal vaak liever leeft in herinneringen dan in realiteit. Maar een serieuze club moet eerlijk durven zijn. Ook tegenover een icoon.

Dat begint met een open gesprek. Niet alleen over tactiek of ambities, maar ook over persoonlijkheid, gedrag en geschiktheid. Kan iemand omgaan met tegenslag? Met media? Met groepsdynamiek? Met verantwoordelijkheid? Is hij in staat zichzelf weg te cijferen voor het clubbelang? Of leeft hij nog teveel op emotie, oude status en impulsiviteit?

Veel clubs slaan die gesprekken over uit angst om een held te beledigen. Maar juist dat gebrek aan eerlijkheid beschadigt uiteindelijk zowel de club als de oud-speler zelf. Want wanneer een clubicoon mislukt als trainer, brokkelt ook zijn heldenstatus af. Wat ooit bewondering was, verandert dan in medelijden of irritatie.

En dat is misschien wel het pijnlijkste beeld in het moderne voetbal: voormalige helden die zichtbaar worstelen langs de lijn terwijl iedereen doet alsof het nog werkt. En de club durft niet in te grijpen. Professionaliteit moet altijd zwaarder wegen dan nostalgie.

Een club die echt ambitie heeft, kijkt niet naar naam of verleden, maar naar kwaliteit en stabiliteit. Niet naar hoeveel wedstrijden iemand vroeger speelde, maar naar wat hij vandaag toevoegt. Want topsport vraagt helderheid, discipline en geloofwaardigheid.

Het voetbal zou gezonder zijn als clubs oud-spelers niet automatisch behandelen als onaantastbare monumenten. Een verleden verdient respect, maar geen blind vertrouwen. De speler van vroeger is niet automatisch de leider van nu. Een goed paard is nog geen ruiter. En een club die dat verschil niet durft te maken, blijft uiteindelijk vooral hangen in het verleden.