Ook voor scheidsrechters, is er een tijd van komen en gaan
,,Daarbij uiteraard ook even bij Zeester langs, Zeester1-Ezinge1. Wat mij opviel was de scheidsrechter, jonge jongen zeer rustig, liet voetballen waar het kon . Maar als het moest zat hij erboven op, dwong op natuurlijke wijze respect af bij spelers... een verademing voor de 5de klasse.”


De bovenstaande woorden van de op familiebezoek zijnde oud-Zoutkamper bleven even hangen. Niet omdat ze zo spectaculair waren, maar juist omdat ze zo oprecht klonken. Een jonge scheidsrechter die opviel door rust, natuurlijk gezag en gevoel voor het spel. In het amateurvoetbal hoor je vaker geklaag over arbiters dan complimenten, dus als iemand na afloop speciaal de moeite neemt om een scheidsrechter te benoemen, zegt dat genoeg.
“Een verademing voor de vijfde klasse”, schreef hij over arbiter R. Swart tijdens Zeester-Ezinge. Een jonge jongen die liet voetballen waar het kon, maar er ook direct bovenop zat wanneer het nodig was. Geen overdreven hoofdrol, geen gefluit om het fluiten, maar een scheidsrechter die begreep wat een wedstrijd nodig heeft. Ik kende de naam eerlijk gezegd niet, maar juist dat vond ik misschien nog wel het mooiste. In een seizoen dat langzaam richting einde gaat, heb ik gelukkig meer nieuwe namen voorbij zien komen. En dat woord “gelukkig” gebruik ik bewust.
Want ook voor scheidsrechters geldt dat er een tijd van komen is, maar ook een tijd van gaan. Dat klinkt misschien hard, maar eigenlijk is het de normaalste zaak van de wereld. Voor voetballers accepteren we dat zonder moeite. Een spits van 38 die niet meer mee kan, stopt. Een keeper merkt dat zijn reflexen minder worden en kiest ervoor afscheid te nemen. Trainers weten vaak zelf ook wanneer het tijd is voor een nieuwe generatie. Alleen bij scheidsrechters lijkt dat onderwerp gevoeliger te liggen. Laat één ding duidelijk zijn: ik heb groot respect voor iedereen die op zaterdag of zondag een fluit oppakt. Zonder scheidsrechters geen amateurvoetbal. Zeker in de lagere klassen, waar verenigingen regelmatig moeite hebben om wedstrijden überhaupt bezet te krijgen, verdienen arbiters waardering. De laatste die scheidsrechters van het veld wil jagen ben ik dan ook zeker niet. Maar respect betekent ook eerlijk durven zijn.
Er komt namelijk voor iedere scheidsrechter een moment waarop het spel simpelweg te snel gaat. Een moment waarop de benen niet meer willen wat de ogen nog wel zien. Of misschien nog pijnlijker: dat ook de ogen het niet altijd meer kunnen volgen. Dat is geen schande. Dat hoort bij ouder worden en geldt net zo goed voor verslaggevers trouwens.
Afgelopen weekend zag ik dat terug tijdens het kampioensduel van Rood Zwart Baflo. De wedstrijd stond onder leiding van een arbiter op respectabele leeftijd, ruim de zeventig al gepasseerd. Een man die ongetwijfeld honderden wedstrijden heeft geleid en zijn sporen binnen het amateurvoetbal meer dan verdiend heeft. Maar tegelijkertijd zag je ook dat het steeds lastiger werd om het spel goed te volgen. De arbiter moest noodgedwongen veel op afstand blijven en hoopte daarmee overzicht te houden. Alleen werkt voetbal tegenwoordig anders. Zelfs in de vijfde klasse gaat het spel sneller dan vroeger. Omschakelmomenten volgen elkaar razendsnel en situaties ontstaan in een paar seconden. Dan wordt afstand automatisch een probleem.
Gelukkig maakten Rood Zwart Baflo en Eenrum het de scheidsrechter niet moeilijk. Beide ploegen verdienen daarvoor complimenten. Er zat weinig venijn in de wedstrijd en spelers accepteerden veel beslissingen zonder morren. Maar tegelijkertijd bekroop mij wel het gevoel dat wanneer de wedstrijd iets grimmiger was geworden, het duel zomaar uit de hand had kunnen lopen. Niet omdat de arbiter geen goede bedoelingen had, maar simpelweg omdat hij het tempo van de wedstrijd niet meer volledig kon bijbenen. En precies daar zit volgens mij de kern.
Een scheidsrechter moet niet alleen de regels kennen, maar ook een wedstrijd kunnen “lezen”. Dicht bij situaties staan. Aanvoelen wanneer iets dreigt te escaleren. Op tijd ingrijpen. Dat vraagt niet alleen ervaring, maar ook fysieke scherpte. Juist daarom deden die woorden over de jonge arbiter bij Zeester-Ezinge me goed. Omdat daar iemand liep die het moderne amateurvoetbal blijkbaar uitstekend aanvoelde. Dit seizoen heb ik in de vijfde klasse meerdere van dat soort arbiters gezien. Jonge scheidsrechters die durven communiceren, die het spel laten lopen waar mogelijk en die met uitstraling en conditie wedstrijden leiden. Niet autoritair, maar wel duidelijk. En eerlijk is eerlijk: zulke arbiters geven een wedstrijd vaak extra kleur.
Dat betekent niet dat ervaring geen waarde meer heeft. Integendeel zelfs. Jonge arbiters kunnen enorm veel leren van oudere collega’s die jarenlang op de velden hebben gestaan. Maar misschien ligt daar juist ook een mooie rol. Niet altijd meer zelf negentig minuten fluiten, maar kennis overdragen. Begeleiden. Coachen. Want ervaring blijft goud waard, alleen misschien niet altijd meer midden in het veld.
Het amateurvoetbal verandert. Het tempo verandert. Spelers veranderen. En dus verandert ook de rol van de scheidsrechter. Daarom was het berichtje uit Zoutkamp eigenlijk meer dan zomaar een compliment voor een jonge arbiter. Het voelde vooral als een teken dat er een nieuwe generatie aankomt. Een generatie die het spel begrijpt, aanvoelt en met plezier leidt. En dat is uiteindelijk goed nieuws voor het amateurvoetbal.
“Een verademing voor de vijfde klasse”, schreef hij over arbiter R. Swart tijdens Zeester-Ezinge. Een jonge jongen die liet voetballen waar het kon, maar er ook direct bovenop zat wanneer het nodig was. Geen overdreven hoofdrol, geen gefluit om het fluiten, maar een scheidsrechter die begreep wat een wedstrijd nodig heeft. Ik kende de naam eerlijk gezegd niet, maar juist dat vond ik misschien nog wel het mooiste. In een seizoen dat langzaam richting einde gaat, heb ik gelukkig meer nieuwe namen voorbij zien komen. En dat woord “gelukkig” gebruik ik bewust.
Want ook voor scheidsrechters geldt dat er een tijd van komen is, maar ook een tijd van gaan. Dat klinkt misschien hard, maar eigenlijk is het de normaalste zaak van de wereld. Voor voetballers accepteren we dat zonder moeite. Een spits van 38 die niet meer mee kan, stopt. Een keeper merkt dat zijn reflexen minder worden en kiest ervoor afscheid te nemen. Trainers weten vaak zelf ook wanneer het tijd is voor een nieuwe generatie. Alleen bij scheidsrechters lijkt dat onderwerp gevoeliger te liggen. Laat één ding duidelijk zijn: ik heb groot respect voor iedereen die op zaterdag of zondag een fluit oppakt. Zonder scheidsrechters geen amateurvoetbal. Zeker in de lagere klassen, waar verenigingen regelmatig moeite hebben om wedstrijden überhaupt bezet te krijgen, verdienen arbiters waardering. De laatste die scheidsrechters van het veld wil jagen ben ik dan ook zeker niet. Maar respect betekent ook eerlijk durven zijn.
Er komt namelijk voor iedere scheidsrechter een moment waarop het spel simpelweg te snel gaat. Een moment waarop de benen niet meer willen wat de ogen nog wel zien. Of misschien nog pijnlijker: dat ook de ogen het niet altijd meer kunnen volgen. Dat is geen schande. Dat hoort bij ouder worden en geldt net zo goed voor verslaggevers trouwens.
Afgelopen weekend zag ik dat terug tijdens het kampioensduel van Rood Zwart Baflo. De wedstrijd stond onder leiding van een arbiter op respectabele leeftijd, ruim de zeventig al gepasseerd. Een man die ongetwijfeld honderden wedstrijden heeft geleid en zijn sporen binnen het amateurvoetbal meer dan verdiend heeft. Maar tegelijkertijd zag je ook dat het steeds lastiger werd om het spel goed te volgen. De arbiter moest noodgedwongen veel op afstand blijven en hoopte daarmee overzicht te houden. Alleen werkt voetbal tegenwoordig anders. Zelfs in de vijfde klasse gaat het spel sneller dan vroeger. Omschakelmomenten volgen elkaar razendsnel en situaties ontstaan in een paar seconden. Dan wordt afstand automatisch een probleem.
Gelukkig maakten Rood Zwart Baflo en Eenrum het de scheidsrechter niet moeilijk. Beide ploegen verdienen daarvoor complimenten. Er zat weinig venijn in de wedstrijd en spelers accepteerden veel beslissingen zonder morren. Maar tegelijkertijd bekroop mij wel het gevoel dat wanneer de wedstrijd iets grimmiger was geworden, het duel zomaar uit de hand had kunnen lopen. Niet omdat de arbiter geen goede bedoelingen had, maar simpelweg omdat hij het tempo van de wedstrijd niet meer volledig kon bijbenen. En precies daar zit volgens mij de kern.
Een scheidsrechter moet niet alleen de regels kennen, maar ook een wedstrijd kunnen “lezen”. Dicht bij situaties staan. Aanvoelen wanneer iets dreigt te escaleren. Op tijd ingrijpen. Dat vraagt niet alleen ervaring, maar ook fysieke scherpte. Juist daarom deden die woorden over de jonge arbiter bij Zeester-Ezinge me goed. Omdat daar iemand liep die het moderne amateurvoetbal blijkbaar uitstekend aanvoelde. Dit seizoen heb ik in de vijfde klasse meerdere van dat soort arbiters gezien. Jonge scheidsrechters die durven communiceren, die het spel laten lopen waar mogelijk en die met uitstraling en conditie wedstrijden leiden. Niet autoritair, maar wel duidelijk. En eerlijk is eerlijk: zulke arbiters geven een wedstrijd vaak extra kleur.
Dat betekent niet dat ervaring geen waarde meer heeft. Integendeel zelfs. Jonge arbiters kunnen enorm veel leren van oudere collega’s die jarenlang op de velden hebben gestaan. Maar misschien ligt daar juist ook een mooie rol. Niet altijd meer zelf negentig minuten fluiten, maar kennis overdragen. Begeleiden. Coachen. Want ervaring blijft goud waard, alleen misschien niet altijd meer midden in het veld.
Het amateurvoetbal verandert. Het tempo verandert. Spelers veranderen. En dus verandert ook de rol van de scheidsrechter. Daarom was het berichtje uit Zoutkamp eigenlijk meer dan zomaar een compliment voor een jonge arbiter. Het voelde vooral als een teken dat er een nieuwe generatie aankomt. Een generatie die het spel begrijpt, aanvoelt en met plezier leidt. En dat is uiteindelijk goed nieuws voor het amateurvoetbal.