“Van UVV’70 tot nu: waarom ik nog altijd doorga”
Gisteren, 26 april, was het exact achttien jaar geleden dat ik mijn eerste verslag voor de Ommelander Courant mocht maken. Een klein stuk over het duel tussen het toenmalige UVV’70 en Boerakker. Op dat moment had ik nooit kunnen vermoeden dat die ene wedstrijd het begin zou zijn van een lange, mooie en vooral dierbare periode als verslaggever. Sindsdien heeft 26 april voor mij een bijzondere lading gekregen. Het is niet zomaar een datum; het is een moment van reflectie, van terugkijken én vooruitkijken.

De laatste jaren is die datum steeds meer gaan voelen als een soort persoonlijke deadline. Een ijkpunt waarop ik mezelf de vraag stel: ga ik nog een jaar door? Het is een eerlijke vraag, eentje die misschien vanzelfsprekender wordt naarmate de jaren verstrijken. Inmiddels ben ik aangekomen in mijn zeventigste levensjaar, en dan is het niet meer dan logisch dat je nadenkt over hoe lang je nog actief wilt blijven. Niet omdat het moet, maar omdat het gezond is om stil te staan bij wat je doet en waarom je het doet.
Voor mij is het antwoord altijd gekoppeld aan één simpel, maar allesbepalend criterium: plezier. Zolang het verslaggeven iets is waar ik naar uitkijk, waar ik energie van krijg en waar ik met een glimlach op terugkijk, is er geen enkele reden om te stoppen. Maar het moment dat het voelt als een verplichting, als iets waar je jezelf naartoe moet slepen, dan ben je eigenlijk al te laat. Dat is een grens die ik koste wat het kost wil bewaken.
Misschien is dat ook wel de reden waarom ik begrip heb voor iemand als Dick Advocaat. Voor buitenstaanders lijkt het soms vreemd dat iemand blijft doorgaan in een intensieve wereld als het voetbal, zeker op latere leeftijd. Maar als je ergens je passie hebt gevonden, als je je thuis voelt in die omgeving, waarom zou je daar dan afstand van doen? Thuis zitten en niets doen is lang niet voor iedereen een aantrekkelijk vooruitzicht. Werk, of in mijn geval een hobby, geeft structuur, voldoening en verbinding.
Nu het voetbalseizoen langzaam richting het einde loopt, verschuift mijn aandacht vanzelf weer naar andere sporten en activiteiten. Wielrennen komt weer meer in beeld, net als grasbaanraces en het maken van interviews. Juist die afwisseling maakt het verslaggeverschap zo bijzonder. Geen week is hetzelfde, geen verhaal identiek. De ene keer sta je langs een voetbalveld in de regio, de andere keer zit je tegenover iemand met een bijzonder verhaal. Die variatie houdt het fris en zorgt ervoor dat het nooit eentonig wordt. En dan is daar 27 april. Voor velen een dag die in het teken staat van feest en traditie, maar voor mij heeft het nog een extra betekenis: ‘Wimpie-day’. De dag na mijn persoonlijke deadline. De dag waarop de knoop is doorgehakt, al is die knoop vaak minder zwaar dan hij vooraf lijkt. Want ook dit jaar geldt weer: de deadline is gepasseerd en ik ga door. Nog een jaar. Op weg naar mijn negentiende jaar als verslaggever, en als alles goed gaat in 2028 zelfs mijn twintigste jaar.
Als ik heel eerlijk ben, had ik dat in 2008 nooit durven dromen. Toen ik op 26 april van dat jaar mijn eerste verslag schreef, was het gewoon iets nieuws, iets leuks om te proberen. Dat ik bijna twee decennia later nog steeds langs de lijn zou staan, nog steeds verhalen zou schrijven en interviews zou maken, dat had ik simpelweg niet voorzien. Het leven loopt soms anders dan je verwacht, en in dit geval op een manier waar ik alleen maar dankbaar voor kan zijn.
Er zijn momenten geweest waarop het allemaal minder vanzelfsprekend leek. In 2022 en 2024 bijvoorbeeld, jaren waarin het plezier en de mogelijkheden om mijn hobby te doen ineens verder weg leken. Momenten waarop je twijfelt, waarop je je afvraagt of het nog wel terugkomt zoals het was. Juist daardoor besef ik nu des te meer hoe bijzonder het is dat ik er nog steeds sta. Dat ik nog steeds die wedstrijden mag bezoeken, die verhalen mag opschrijven en mensen mag spreken.
Ik zie het dan ook echt als een cadeautje. Niet iets waar je automatisch recht op hebt, maar iets wat je krijgt en waar je zorgvuldig mee om moet gaan. En misschien is dat wel de belangrijkste reden dat ik doorga: omdat ik weet dat het niet vanzelfsprekend is. Dat het zomaar voorbij kan zijn. En juist dat besef maakt dat ik er nog meer van geniet. Dus ja, ook dit jaar is de conclusie duidelijk. Ik ga door. Niet omdat het moet, niet omdat het verwacht wordt, maar omdat ik het nog steeds met hart en ziel doe. Omdat het me plezier geeft, energie en voldoening. En zolang dat zo blijft, blijf ik schrijven, blijf ik kijken, blijf ik luisteren. Op naar jaar negentien. En wie weet, over een paar jaar, een mooi jubileum. Maar voor nu is het vooral: genieten van alles wat nog komt.

De laatste jaren is die datum steeds meer gaan voelen als een soort persoonlijke deadline. Een ijkpunt waarop ik mezelf de vraag stel: ga ik nog een jaar door? Het is een eerlijke vraag, eentje die misschien vanzelfsprekender wordt naarmate de jaren verstrijken. Inmiddels ben ik aangekomen in mijn zeventigste levensjaar, en dan is het niet meer dan logisch dat je nadenkt over hoe lang je nog actief wilt blijven. Niet omdat het moet, maar omdat het gezond is om stil te staan bij wat je doet en waarom je het doet.
Voor mij is het antwoord altijd gekoppeld aan één simpel, maar allesbepalend criterium: plezier. Zolang het verslaggeven iets is waar ik naar uitkijk, waar ik energie van krijg en waar ik met een glimlach op terugkijk, is er geen enkele reden om te stoppen. Maar het moment dat het voelt als een verplichting, als iets waar je jezelf naartoe moet slepen, dan ben je eigenlijk al te laat. Dat is een grens die ik koste wat het kost wil bewaken.
Misschien is dat ook wel de reden waarom ik begrip heb voor iemand als Dick Advocaat. Voor buitenstaanders lijkt het soms vreemd dat iemand blijft doorgaan in een intensieve wereld als het voetbal, zeker op latere leeftijd. Maar als je ergens je passie hebt gevonden, als je je thuis voelt in die omgeving, waarom zou je daar dan afstand van doen? Thuis zitten en niets doen is lang niet voor iedereen een aantrekkelijk vooruitzicht. Werk, of in mijn geval een hobby, geeft structuur, voldoening en verbinding.
Nu het voetbalseizoen langzaam richting het einde loopt, verschuift mijn aandacht vanzelf weer naar andere sporten en activiteiten. Wielrennen komt weer meer in beeld, net als grasbaanraces en het maken van interviews. Juist die afwisseling maakt het verslaggeverschap zo bijzonder. Geen week is hetzelfde, geen verhaal identiek. De ene keer sta je langs een voetbalveld in de regio, de andere keer zit je tegenover iemand met een bijzonder verhaal. Die variatie houdt het fris en zorgt ervoor dat het nooit eentonig wordt. En dan is daar 27 april. Voor velen een dag die in het teken staat van feest en traditie, maar voor mij heeft het nog een extra betekenis: ‘Wimpie-day’. De dag na mijn persoonlijke deadline. De dag waarop de knoop is doorgehakt, al is die knoop vaak minder zwaar dan hij vooraf lijkt. Want ook dit jaar geldt weer: de deadline is gepasseerd en ik ga door. Nog een jaar. Op weg naar mijn negentiende jaar als verslaggever, en als alles goed gaat in 2028 zelfs mijn twintigste jaar.
Als ik heel eerlijk ben, had ik dat in 2008 nooit durven dromen. Toen ik op 26 april van dat jaar mijn eerste verslag schreef, was het gewoon iets nieuws, iets leuks om te proberen. Dat ik bijna twee decennia later nog steeds langs de lijn zou staan, nog steeds verhalen zou schrijven en interviews zou maken, dat had ik simpelweg niet voorzien. Het leven loopt soms anders dan je verwacht, en in dit geval op een manier waar ik alleen maar dankbaar voor kan zijn.
Er zijn momenten geweest waarop het allemaal minder vanzelfsprekend leek. In 2022 en 2024 bijvoorbeeld, jaren waarin het plezier en de mogelijkheden om mijn hobby te doen ineens verder weg leken. Momenten waarop je twijfelt, waarop je je afvraagt of het nog wel terugkomt zoals het was. Juist daardoor besef ik nu des te meer hoe bijzonder het is dat ik er nog steeds sta. Dat ik nog steeds die wedstrijden mag bezoeken, die verhalen mag opschrijven en mensen mag spreken.
Ik zie het dan ook echt als een cadeautje. Niet iets waar je automatisch recht op hebt, maar iets wat je krijgt en waar je zorgvuldig mee om moet gaan. En misschien is dat wel de belangrijkste reden dat ik doorga: omdat ik weet dat het niet vanzelfsprekend is. Dat het zomaar voorbij kan zijn. En juist dat besef maakt dat ik er nog meer van geniet. Dus ja, ook dit jaar is de conclusie duidelijk. Ik ga door. Niet omdat het moet, niet omdat het verwacht wordt, maar omdat ik het nog steeds met hart en ziel doe. Omdat het me plezier geeft, energie en voldoening. En zolang dat zo blijft, blijf ik schrijven, blijf ik kijken, blijf ik luisteren. Op naar jaar negentien. En wie weet, over een paar jaar, een mooi jubileum. Maar voor nu is het vooral: genieten van alles wat nog komt.