Dick Heuvelman (sportjournalist): In het betaald voetbal heb je 38 parochies en die spreken vooral voor zichzelf.

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Binnen de lijnen

Ik vroeg ook Dick Heuvelman of ik hem een aantal vragen sturen voor de rubriek, in dit geval ..de vragen aan. Daar wilde de nestor van de Groninger Sportjournalistiek wel aan meewerken en waarbij hij duidelijk geen blad voor zijn mond nam.

         hedic    
Dick waar en wanneer ben je geboren: ‘In de stad Groningen, om precies te zijn in de Berkelstraat, en wel op 12 maart 1946. En dat vind ik achteraf ook een hele mooie datum, want op 12 maart (1953) is er ooit een gedenkwaardige voetbalwedstrijd gespeeld. Het was de zogenaamde watersnood wedstrijd in het Parc des Prince in Parijs, waar de Nederlandse profs die in het buitenland speelden toen het grote Frankrijk versloegen. Dat was een sensatie in die tijd. Want in Nederland had je nog slechts amateurvoetbal en daarom trokken de beste spelers, zoals Bram Appel, Bertus de Harder, Arie de Vroet en niet te vergeten keeper Frans de Munck, naar buitenlandse clubs om voetballend geld te verdienen. Deze spelers stelden zich als team beschikbaar om geld in te zamelen voor de slachtoffers van een grote watersnoodramp in Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden. Dit gelegenheidselftal speelde een historische wedstrijd, want het won met 2-1. Duizenden landgenoten waren er bij en gingen na afloop helemaal uit hun dak. Voor het Nederlandse voetbalpubliek was het toen wel duidelijk. Alleen professioneel voetbal zou ons international vooruit helpen. Want we behoorden tot de onderlaag van Europa, verloren zelfs van landen als Luxemburg en Saarland. Een jaar later was het al zo ver, toen ging het betaalde voetbal van start in Nederland. Op mijn verjaardag denk ik altijd aan de kiem die is gelegd voor de Grote Voetbalrevolutie in Nederland en die Nederland in de wereldtop heeft gebracht.
Kun je wat vertellen over je eigen  sportcarrière: ‘Zeker, maar die stelde niet veel voor. Ik heb gevoetbald bij de stadsclubs Velocitas en GRC en toen ik Vries kwam te wonen ben ik lid geworden van VAKO, waar ik nog altijd lid van ben. Lid van verdienste zelfs. Die onderscheiding viel mij ten deel omdat ik onder meer een jaar of twintig trainer van de lagere senioren en daarnaast  assistent-trainer ben geweest bij de eerste selectie. Ik diende onder meer onder trainers als Egbert Emmens (helaas al overleden), Theo Metz, Gerard Voskuil, Wietze de Jong, Hemmo de Wal, Johan Wardenier, Edwin Prins en Roelof Rutgers. Vond ik leuk, een beetje als klankbord fungeren. En ook was ik hersteltrainer. De Bobby Haarms van VAKO. Dat heb ik tot mijn 67ste gedaan. Als voetballer was het tweede elftal van GRC mijn top. Dat speelde toen in de reserve eerste klasse en dat was best een behoorlijk niveau. Ik speelde voorin onder meer met Klaas Snip, een oud-prof van onder meer Oosterparkers en SC Drenthe die op zijn ouwe voetbaldag bij ons kwam afbouwen. Wij hadden een aardige klik in het veld. Helaas had ik toen mijn knieschijf al een keer gebroken en dat is nooit meer optimaal genezen. Ik was 18 toen dat gebeurde, was net aan mijn eerste seizoen bij GRC begonnen. Het gebeurde nota bene in een duel met mijn overbuurman in de Berkelstraat, Piet Vos, die bij Velocitas speelde. Het enige voordeel was dat ik daardoor alsnog werd afgekeurd voor de dienstplicht. Maar mijn hoop om ooit nog eens GRC 1 te halen, was vervlogen. O nee, niet helemaal. Want toen er ook een zaterdagafdeling bij GRC kwam, stond ik wel in het eerste. Maar wel op afdelingsniveau, zoals dat toen nog heette. De GVB dus. Speelden we tegen clubs als Mamio, Boerakker en SIOS Sauwerd.   
Hoe kwam je in de sportjournalistiek terecht: ‘Nou, ook via GRC. Daar zat ene Dick Monningh in het bestuur. Hij was voorlichter bij de gemeente Groningen en in zijn vrije tijd freelance-sportjournalist. Hij werkte onder meer voor het Nieuwsblad van het Noorden en het weekblad Sportief, dat landelijk verscheen. Deze meneer Monningh vroeg mij, toen ik met die knieblessure zat, of ik clubbladredacteur wilde worden. Dat leek me wel wat, want als kind wilde ik al sportjournalist worden en de Tour de France verslaan. Blijkbaar was hij onder de indruk van mijn schrijfsels en hij vroeg me in 1969 om 's zondags mee te helpen op de sportredactie van het Nieuwsblad van het Noorden. Kleine stukjes maken van amateurwedstrijden, telexberichten afscheuren en om zes uur broodjes en kroketten halen bij cafetaria Brander op de Grote Markt voor de heren sportredacteuren in vaste dienst. We moesten er al om half vier 's middags zijn om de uitslagenborden klaar te maken. Die werden tegen half vijf opgehangen achter het raam van het gebouw aan het Zuiderdiep en daar stonden dan drommen mensen minuten lang de uitslagen van alle divisies in het betaalde voetbal te bekijken. Inclusief aansluitende discussies. Maar ik moest dus ook in de weekeinde op pad voor verslagjes in het amateurvoetbal. Dat ging voor zelf voetballen. Achteraf een prima keuze, want in 1972 kon ik vaste dienst treden bij het Nieuwsblad. En heb er na verloop van tijd onder meer mijn jongensdroom, de Tour verslaan, waar kunnen maken. De ouderen zullen zich ook nog wel de column Apart op Maandag herinneren. Was toch wel spraakmakend, mag ik in alle bescheidenheid zeggen. “ 
Jij was achttien jaar geleden de grote animator achter het naar Groningen halen van de GIRO. Mogen we van jou nog iets dergelijks verwachten: ‘Nou, ik ben nu 74 en ja, dan gaan de jaren toch echt tellen. Gelukkig ben ik qua gezondheid nog top, maar dat is geen garantie voor de toekomst. Maar nog niet zo lang geleden was ik nog wel met een groot project bezig. Lange tijd met succes zelfs, want in 2018 kregen we van de UCI het groene licht om het WK wielrennen dit jaar - 2020 dus - in Groningen en Drenthe te organiseren. Daar was ik, samen met Albert Kerstholt uit Assen, de aanjager van. Het WK wielrennen in het Noorden, dat was net zo'n verhaal als met die Giro. Dat zou nooit lukken, was de algemene teneur. Ik ben echter niet iemand die zich door zulke voorspellingen laat leiden. Noorderlingen zijn wat mij  betreft veel te terughoudend in deze dingen. Als je tegenwoordig iets als regio of stad op de kaart wilt zetten, moet je out of the box denken en iets bijzonders doen. Dan pas krijg je aandacht van de media. Dat was zo met de Giro in Groningen, de start van de Vuelta in Assen (2009) en dat zou dus in 2020 weer gebeuren. Helaas kwam er een 2018 een politieke kink in de kabel. Het feest werd verstoord door de Provinciale Staten van Groningen, dat het evenement te duur vond en tegen de gevraagde vijf miljoen steun stemde. De negatieve houding van de PvdA bleek uiteindelijk beslissend. Hoe anders was de stemming in Drenthe, daar was men wel enthousiast. Maar goed, het is niet anders. Soms win je, soms verlies je. Achteraf bleek trouwens dat we een engeltje op onze schouders hadden zitten, want in deze tijden wordt het ene na het andere topevenement afgelast vanwege de coronacrisis. Toch zou ik nog wel een reprise van de Giro in Groningen willen zien. Dat is nu al weer bijna twintig jaar geleden. Met  de huidige politieke constellatie in de stad, lijkt dat echter een utopie. Het wachten is op sportminded politici op de Grote Markt. Ik ken er wel eentje, ook nog een oud-wielrenner zelfs, maar die is vooral druk met terrassencultuur. Als je de binnenstad van Groningen tegenwoordig ziet, is het één grote openluchtkroeg voor studenten all over the world. De jeugd chillt liever dan dat ze sport. Maar eens zal deze tijdgeest ook weer verdwijnen.”      
De gemeente Groningen, en de wethouder sportzaken in het bijzonder, snappen niets van de sportcultuur:  ‘Helaas moet ik deze stelling bevestigend beantwoorden. Die onwetendheid is in algemene zin ook wel des politieks. Politici hebben in doorsnee meer met cultuur dan met sport. Komt ook door de culturele elite. Die kan goed lobbyen. Politici vinden sport meer voor het plebs. Op zich heb ik daar weinig problemen mee, maar de huidige politieke bazen in Groningen laten de sport wel heel erg (groen) links liggen. Je ziet er alleen een paar bij FC  Groningen. Bij de FC zijn ze slim genoeg om daarvan te profiteren. Zie de Euroborg en het TopsportZorgCentrum. Maar geen raadslid of wethouder die de wenselijk van een eigentijds sportpaleis eens oppert. Terwijl we twee absolute topclubs hebben in de zaalsport. Buiten de reguliere topsport gebeurt er amper nog iets op sportgebied in de stad dat tot de verbeelding spreekt. Ik ben bezig met een boek over 100 jaar Topsport in Stad, dat dit jaar nog zal verschijnen, en daarin zal het de lezers opvallen dat Groningen vroeger veel meer internationale evenementen in huis haalde dan nu. Denk aan Pele die hier in 1959 met Santos kwam spelen en aan Stanley Matthews die met Stoke City in het Oosterpark was te bewonderen. We hebben ook mooie atletiek- en zweminterlands gehad in de Papiermolen, grote boksgala's, internationale biljartkampioenschappen, wielerrondes van naam en faam, zesdaagses, het legendarische Russische ijshockeyteam op bezoek gehad, veel schaatskampioenschappen georganiseerd, grote draverijen ook en wat al niet meer. Op basis daarvan heeft de stad ooit, in 1965, de titel Sportstad van het Jaar gekregen. Maar ja, toen had je een wethouder als Wim Hendriks en een raadslid als Marten Kastermans. Mannen van de PvdA, van het volk dus en gezegend met een groot sporthart. Ze handelden er ook naar. De huidige politici zien de marketingwaarde van sportevenementen niet. Gironingen heeft Groningen toch heel veel naamsbekendheid gebracht in Europa. En de Groningers een prachtig sportfeest, inclusief culturele toetjes als Marco Borsato en Zucchero. Vorige week belde de NOS mij nog om weer eens over die Girostart hier te praten. Dat zegt toch wel wat. Sindsdien hebben wel alleen nog het EK jeugdvoetbal gehad, maar dat was een gedeeld feestje met andere steden. We hadden hier een prachtige traditie opgebouwd met Eurovoetbal, een toernooi voor de sterren van de toekomst met veel uitstraling in binnen- en buitenland. Toen dat in de financiële problemen kwam had de gemeente in mijn ogen dit toernooi, dat een warm sociaal karakter had en waar hele gezinnen heen gingen, moeten redden. Zo duur was dat niet geweest. Nee dus. Sport in Groningen is het zieltogende sluitstuk van de begroting. Daar komt dan ook altijd een passende wethouder bij, een soort vijfde wiel aan de collegewagen. Sport is een stief kindje geworden in Groningen. Met de oprichting van de Sportpartij is geprobeerd een koerswijziging tot stand te brengen. Maar dat werd een flop. De partij haalden geen enkele zetel. En dan wordt er door de sport na de verkiezingen geklaagd over gebrekkige accommodaties. Tja....”
Ik mag graag de columns van Henk Hoitink lezen. Van wie lees jij ze graag: ‘Nou, Henk hoort daar zeker bij. Hij geniet weinig bekendheid omdat voor Trouw schrijft en dat is van oudsher geen krant waar de sportliefhebber voor naar de kiosk gaat. Henk Hoitink verdient in mijn optiek een breder publiek. Met zijn relativerende toonzetting is hij een uitzondering in voetballand, waar men te vaak de kerk niet meer in het midden laat staan en de waan van de dag adoreert. Gelukkig zijn er meer Hoitinks.  Paul Onkenhout van de Volkskrant is ook zo'n columnist naar mijn hart. Ook een hele mooie schrijver met heel veel kennis van voetbalzaken.”
Wat zijn voor jou drie sportmomenten die je altijd bij zullen blijven: ‘Och, dat zijn er veel meer dan drie. Vaak denk ik nog wel eens aan die wedstrijd Ajax-FC Groningen in het oude Ajaxstadion nog, begin 1983. Werd 5-5 na een zinderend spektakel. Ik mocht die wedstrijd voor de krant verslaan en kwam aan het eind van deze rit superlatieven tekort. Bij Ajax speelden toen mannen als Cruijff, Lerby en Rijkaard en bij de FC de gebroeders Koeman. Ron Jans maakte twee geweldige goals. Ook de Europa Cupwedstrijden van FC Groningen later dat jaar tegen Atlético Madrid en Inter Milan zijn het predicaat onvergetelijk waardig. Ik noem deze twee clubs in één adem omdat die kort achter elkaar naar Groningen kwamen voor het toernooi om  UEFA Cup. He begon al bij de voorverkoopadressen. Toen die open gingen stonden de rijen van meer dan honderd meter voor de deur van sigarenmagazijn Homan op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep. Bij Atlético was de Mexicaan Hugo Sanchez de grote vedette. Ik mocht hem voor de krant nog interviewen in hotel Braams in Gieten, waar die Spanjaarden toen verbleven. Een andere speler van Atlético die veel indruk maakte was de besnorde verdediger Arteche. Dat was een klassieke slager, een verdediger die de zeis hanteerde. Bij Inter speelden de Duitse vedette Hansi Müller, de gevreesde spits Altobelli en een meedogenloze verdedigers zoals Bergomi. De FC won niettemin beide thuiswedstrijden: 3-0 van Atlético en 2-0 van Inter. Dat waren onuitwisbare spektakelstukken. En uiteraard mag ik de start van de Giro d'Italia op de Grote Markt niet vergeten. Was een waar mediaspektakel met de Italiaanse sprinter Mario Cipollini in een spraakmakend tijgerpak en ook Marco Pantani nog in volle glorie. Stad en Ommeland waren roze gekleurd. “
Had je vroeger een idool en zo ja, wie was dat: ‘’Nee, echte idolen heb ik nooit gehad. Wel spelers die ik graag mocht zien spelen. Piet Fransen was zo eentje. De laatste humorist op de eredivsievelden. Maar ook een geweldige voetballer, slim en als het moest ook met smerige trekjes. Hij wilde een tegenstander nog wel eens geniepig bij zijn ballen pakken, bij corners en als hij zich opstelde in een muurtje van de tegenpartij. Hij doorspekte zijn spel met grappen en grollen. Ik vergeet nooit meer die wedstrijd waarin hij op een onbepaald moment zijn voet op de bal plantte, in de buurt van de staantribune lange zijde. Daar stond iemand steeds commentaar te geven op de gang van zaken in het veld. Piet nodigde die man uit het veld te betreden. "Doe waist het zo goud, ja. Nou, kom d'r dan maor eem'n in mien jong, Kist het laot'n zain." Nou, die man was gelijk stil, hebben we niet meer gehoord. Ook was het altijd lachen geblazen als hij de bal na een hoge uittrap van de keeper met zijn kont onder controle bracht. Ook zijn vlaflip waarmee hij Feyenoorddoelman Eddy Treijtel een keer voor joker zette, was een klassiek lachnummer. Treijtel had in een interview nogal laatdunkend over Piets werk als melkboer gedaan. In de eerstvolgende wedstrijd tegen Feyenoord zette Pietje Treijtel op het verkeerde been en scoorde ook nog. Kijk, zei Piet tegen Eddy, dit is nou een vlaflip. Piet Fransen zou in deze tijd voetbalmiljonair zijn geworden. We zijn elkaar na zijn loopbaan nog regelmatig tegen gekomen  en dan hoorde je hem vaak zeggen dat hij te vroeg is geboren. Het stoorde hem dat spelers die nog geen lantaarnpaal kunnen passeren, grootverdieners werden en nog altijd worden.”
Dat spelers en directies van betaalde clubs moeten inleveren vind jij wel/geen goede zaak en waarom: ‘Wel. Het waarom lijkt me ook duidelijk. Elk jaar zijn er grote financiële noden bij de profclubs. En dat komt niet door de salarissen van het kantoorpersoneel. Dat zijn sluitposten op de begrotingen van voetbalclubs. Het zit hem vooral in de almaar oplopende verdiensten voor spelers. Het gemiddelde salaris van een eredivisiespeler was dit seizoen 291.000 euro. Vorig jaar was nog 281.000 en het jaar daarvoor 278.000. En ik denk niet dat de coronacrisis die stijgende lijn een halt toe kan roepen. Hoogstens even onderbreken. Neem FC Groningen. Komt met een huilverhaal naar buiten dat de nood zo hoog is gestegen dat er 11 medewerkers op straat moesten worden gezet. Geen enkele voetballer of trainer, maar kantoorpersoneel. De harde werkers achter de schermen. In datzelfde verhaal staat ook dat voor komend overal  op wordt bezuinigd, behalve op het spelersbudget van 5.5. miljoen euro. Sterker nog: een dag later lees ik in de VI dat FC Groningen op een speler jaagt waarvoor een miljoen aan transfergeld wordt gevraagd. Als je in de bijstand zit, ga je toch geen Mercedes uit de dure prijsklasse kopen...... Zo kom je als profvoetbaltak nooit van dat poenerige imago af. Waarom nou niet een onsje minder met dat spelersbudget? Dan blijf je ook middenmoter, want al die andere clubs zitten in hetzelfde schuitje. En dan pronkt FC Groningen ook nog eens met veel talent. Dit is een situatie waarin je dat kunt laten zien.”  
Louis van Gaal begrijpt er niets van dat de KNVB heeft besloten om de bekerfinale niet te laten spelen dit seizoen. Eens of oneens: Eens. Helemaal. Als je ziet wat er in de landen om ons heen allemaal nog gaat gebeuren op voetbalgebied, mag Nederland zich toch lichtelijk schamen. Zelfs in Denemarken wordt er weer gespeeld. Het tekent Feyenoord dat ze het prima vinden dat die bekerfinale niet meer wordt gespeeld, dat alleen FC Utrecht daar op aandringt. Ze hebben een Europees ticket en verder kan het ze niks meer schelen. Voor mij een teken dat ze bang zijn voor FC Utrecht. Verdorie zeg, als je kans hebt nog voor een prijs te spelen, behoor je die niet te laten liggen. De KNVB Beker staat toch mooi op je erelijst. Het halen van Europees voetbal vind ik geen prijs. Nee, deze houding van Feyenoord valt me zwaar tegen. Angsthazengedrag.”
De top van de KNVB met Eric Gudde, Jean-Paul Decossaux, Art Langeler, Nico-Jan Hoogma en Jan Dirk van der Zee als de belangrijkste mensen kan jou wel/niet bekoren omdat: ‘Ik ga hier geen streep zetten door de woordjes wel en niet. Ik vind alle kritiek op de deze mensen allemaal te gemakkelijk. Ze hebben een onmogelijke taak in een voetballandschap dat tot op het bot is verdeeld. Je moest eens weten in wat voor krachtenveld die bestuurders terecht komen. Neem nou Gudde. Wordt gezien als een Feyenoordman. Bij De Graafschap wordt gezegd dat hij zijn oren heeft laten hangen naar de machtige Haagse lobby achter ADO, met mensen als Kees Jansma en de invloedrijke voetbalmakelaar Rob Jansen. In het betaald voetbal heb je 38 parochies en die spreken vooral voor zichzelf. De topclubs gedragen zich als rupsjes nooit genoeg, terwijl de midden- en onderklasse steeds meer in de verdrukking komt. Daarom zou ik voorstander zijn van het NBA-model. Dat wordt geleid door onafhankelijke, krachtige mensen en die bepalen alles wat er in die NBA gebeurt. Wie niet luistert, ziet zijn licentie ingetrokken worden. En de tv-gelden worden gelijkelijk verdeeld omdat de clubs in de NBA weten dat ze niet zonder elkaar kunnen. Clubs die onderaan eindigen, hebben voor het eerstvolgende seizoen het eerste recht om gedrafte spelers te kiezen. Ze denken daar puur productgericht. Hier zegt Ajax: ik ben de beste en op basis daarvan heb ik recht op het meeste geld. Maar ze vergeten in Amsterdam dat ze zonder die 17 andere clubs geen kampioen kunnen worden en (bijna) elk jaar zonder al te veel moeite die 40 miljoen startgeld voor Champions League op kunnen strijken. Terwijl die 17 clubs best zonder Ajax zouden kunnen. Heel kortzichtig allemaal. Tegenwoordig worden bijna elk jaar dezelfde clubs kampioen omdat die het meeste geld hebben. Op den duur gaat die eentonigheid toch eens vervelen. Kijk eens naar al die diverse kampioenen van voor het betaalde voetbal. Dat is toch een veel leuker lijstje. Solidariteit is in het Nederlandse voetbal ver te zoeken. Dat zal moeten veranderen. Gelukkig zinspeelt de regering daar nu ook op met haar afwerende houding richting steun vanwege de coronacrisis. Dit is HET moment voor een algehele reset.”
Wat wil je verder nog in deze rubriek kwijt: ‘Niks, ik heb gezegd.”