Niet of slap optreden, levert (vaak) problemen op.

Geschreven door Henk Doppenberg op . Geplaatst in Columns

Met zachte hand regeren gaat niet werken hoor je vaak. Maar hoevaak is het niet anders en wordt er voor de zachte hand gekozen omdat men toch vooral 'vriendjes' van elkaar wil zijn. En daar gaat een volgende column van Henk Doppemberg over.
Henk Doppenberg
Het jeugdbestuur zit vanavond bij elkaar voor hun maandelijkse vergadering. Hoewel het inmiddels ruim vijf over half acht is en ze om half acht zouden starten, maakt de voorzitter nog steeds geen aanstalten om te beginnen. Dit tot ergernis van Sjaak, die al een paar keer demonstratief op zijn horloge heeft zitten kijken en, als hij ziet dat het al tien over half acht is, ook reageert.
‘Waarom beginnen we niet, voorzitter?’‘Dat lijkt me duidelijk. Egbert en Frank zijn er nog niet.’
Klopt, maar we zouden toch om half acht beginnen?’‘We kunnen toch wel even wachten? Ze zullen zo echt wel komen.’
Daar twijfel ik ook niet aan. Het probleem is alleen dat we nooit op tijd beginnen, want er is altijd wel iemand te laat. Je hebt er tijdens vergaderingen al heel vaak wat van gezegd, maar blijkbaar trekt niemand zich daar iets van aan en dat vind ik een slechte zaak.’
‘Wat wil jij dan?’
Gewoon starten.’
‘Dan horen zij niet alles wat er besproken wordt.’
‘Klopt, maar als er een keer iets buiten jou om beslist wordt omdat je te laat bent, kom je de volgende keer echt wel op tijd. Als het je tenminste iets kan schelen wat hier gebeurt.’    

Sjaaks collega’s blijken nogal wat moeite met zijn opvatting te hebben, want ze kijken hem behoorlijk ontstemd aan. Tot een  discussie komt het echter niet, want de twee laatkomers zijn inmiddels gearriveerd en gaan zonder zich te verontschuldigen op hun plaats zitten.
Voor de voorzitter is dit een reden om snel met het eerste agendapunt te beginnen.
‘Als eerste punt zien jullie het onderling uitlenen van spelers staan. We hebben het er vaker over gehad en er ook al eens met wat leiders en trainers over gepraat, maar dat probleem blijkt steeds grotere vormen aan te nemen. De JO13-1 is afgelopen zaterdag bijvoorbeeld met 15 spelers op pad geweest, terwijl de JO15-1 er maar elf had. Erik heeft Ton wel gebeld om spelers, maar die had gezegd dat hij drie half geblesseerden had en dus niemand kon missen. De vraag is wat we hieraan moeten doen. Erik voelt zich namelijk bedrogen en heeft al gezegd dat hij  vanaf nu ook geen spelers meer uitleent.’
De bestuursleden kijken elkaar aan, maar Sjaak is de enige die reageert.
‘Erik zijn  reactie is niet goed, maar ik begrijp hem volkomen. Verder vind ik dat we Ton op het matje moeten roepen. Dit is namelijk al de zoveelste keer dat hij weigert om zijn collega’s te helpen.’
‘Wat wil je dan tegen hem zeggen?’
‘Niets bijzonders. Alleen dat hij mee moet werken en we hem anders gaan verplichten om spelers uit te lenen.’
‘Dat lijkt me niet verstandig, want hij heeft soms een verschrikkelijk kort lontje en kan dus zomaar een partij ellende veroorzaken of zelfs stoppen als leider.’
Dan doet hij dat maar. Het kan namelijk niet zo zijn dat hij alleen aan zichzelf denkt en de rest van onze vereniging iedere keer weer laat stikken. Plus dat ik ook geen zin heb om steeds over hem te moeten vergaderen.’
De voorzitter schudt zijn hoofd en van de andere bestuursleden blijkt ook niemand het met Sjaak eens te zijn.
‘Ik vind het geen  verkeerd plan om met Ton te gaan praten, zodat we kunnen horen waarom die problemen steeds ontstaan. Het is alleen  niet verstandig om moeilijk tegen hem te doen, want hij is een goede trainer die we niet kwijt moeten raken. Tenminste, dat vind ik en ik zie dat bijna iedereen van jullie dit met me eens is.’
Sjaak zegt niets, maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Hij krijgt echter weinig kans om over zijn irritatie na te denken, want de voorzitter blijkt nog meer ellende in  petto te hebben.
‘Als tweede punt zien jullie het kerstzaalvoetbaltoernooi staan. De organisatie loopt perfect, maar het programma en de teamindelingen laten helaas nog even op zich wachten en dat komt omdat we nog niet van alle teams de inschrijvingen binnen hebben.’ ‘Hoe kan dat nou? Die mail met het inschrijfformulier is immers al een week of zes geleden verstuurd.’
‘Dat klopt Sjaak, maar blijkbaar heeft nog niet iedereen tijd gehad om het voor elkaar te maken.’
‘Dat kan ik me niet voorstellen, maar het zal wel zo zijn. Heb je trouwens al contact gehad met de mensen die nog in moeten schrijven?’
‘Nee nog niet, want ik hou er niet van om ze onder druk te zetten. Ik zal ze morgen echter mailen of appen om ze ons probleem uit te leggen.’
‘Het lijkt mij beter om ze te bellen, want een mailtje of een appje gooien  ze weg en aan de telefoon zullen  ze toch uit moeten leggen waarom ze zo traag zijn. Verder hoef je volgens mij  niets uit te leggen, want iedereen begrijpt toch dat je die uiterste inschrijfdatum niet voor niets op dat formulier hebt gezet.’
‘Misschien heb je gelijk, maar ik stuur ze toch liever een mailtje of een appje.’ 
Als Sjaak om zich heen kijkt, weet hij dat het zinloos is om naar de mening van de anderen te vragen en daarom knikt hij maar een keer. Het wordt echter wel steeds moeilijker voor hem om zijn irritatie te verbergen. Zeker als de voorzitter over de klachten van de sponsorcommissie begint.
‘Zij zeggen steeds vaker jeugdspelers in het dorp te zien lopen met sponsorkleding van de vereniging aan. Dit gaat meestal om trainingspakken, maar een enkele keer ook om shirts en broekjes. Ik heb daar met een aantal leiders en leidsters over gesproken en die ontkennen het probleem niet. Zij blijken echter weinig zin te hebben om politieagentje te spelen en zeggen al genoeg problemen te hebben om de tenues iedere week gewassen te krijgen. Ik heb hen daarom wel gevraagd om eraan te doen wat in hun vermogen ligt, maar ook gezegd dat ik begrip voor hun standpunt had. Het probleem is alleen dat de sponsorcommissie wil dat de we actie ondernemen en er sponsors zijn die beginnen te klagen.’
‘Dat lijkt mij vrij logisch.’
‘Mij ook wel, maar de vraag is dus wat we moeten doen.’
‘Zo moeilijk is dat toch niet? Volgens mij moeten we de ouders een stevige brief sturen, waarin staan dat we de kinderen onder geen beding met sponsorkleding in het dorp of op straat willen zien. Plus dat we met een schorsing moeten dreigen als dat wel gebeurt . Verder moeten  er volgens mij vaste regels komen voor wat betreft het wassen van de tenues. Dus óf iedere ouder om de beurt laten wassen óf ze een vergoeding laten betalen aan de persoon die wekelijks wast. Dat laatste kan een ouder zijn, maar als die niet te vinden is, moeten de spullen maar naar een wasserette.’
De voorzitter kijkt Sjaak aan alsof hij water ziet branden.
‘Door zo’n brief met dreigementen jaag je volgens mij bijna alle ouders tegen je in het harnas en dat lijkt me verre van verstandig. Het ledenaantal bij de jeugd is immers al gigantisch teruggelopen, dus moeten we niet het risico lopen dat er nog veel meer mee stoppen. Plus dat ze tegenwoordig om niets de grootste trammelant veroorzaken en ik geen zin heb om door al die boze of ontevreden ouders aangesproken te worden. Ik denk dus dat we alle kleding sowieso maar naar een wasserette moeten doen.’‘Wil je dat de ouders dan laten betalen?’‘Nee, de vereniging.’
‘Dat is toch een veel te grote en vooral onnodige kostenpost?’
‘Als de penningmeester dat vindt, moeten we ergens anders maar op bezuinigen of desnoods de sponsortarieven iets verhogen. Ik ben namelijk voor mijn plezier voorzitter en heb dus geen zin om door iedereen uitgekafferd te worden.’
‘Ik denk dat we eens goed bij onszelf na moeten denken. We zitten hier nu voor de zoveelste keer over problemen te praten die we niet op durven te lossen. Tenminste, jullie niet. Ik heb er vanavond, zoals al vaker, namelijk meerdere keren op aangedrongen om niet alles goed te praten en strenger op te treden, maar jullie willen iedereen te vriend houden en dat werkt niet.’

Sjaak zwijgt even, maar kijkt dan de voorzitter doordringend aan.
‘Jij bent trouwens nog wat vergeten te melden. Alex van de JO17-1 is verleden week namelijk bij je geweest om over de slechte trainingsopkomst te praten. Spelers die bij hem niet trainen, zet hij, geheel terecht, minimaal een halve wedstrijd reserve. Daar zijn de jongens en de ouders echter niet blij mee en wat doe jij? Je wil geen ruzie met de ouders en bent bang om leden te verliezen, dus laat je Alex in de kou staan  en geef je de vaders, moeders en spelers gelijk.’

‘Dat klopt, want het ging hier om ouders die veel voor de vereniging doen en het leek me niet verstandig om daar ruzie mee te maken. We hebben onze vrijwilligers namelijk heel hard nodig.’
‘Ja, maar zo gaat het met alle problemen. Jullie hebben namelijk steeds wel weer een andere reden om iemand niet aan te pakken, waardoor het hier een onbestuurbare chaos is geworden. Op deze manier gaat de vereniging trouwens ook leden verliezen. Ik weet namelijk van meerdere mensen, die zich altijd keurig volgens de regels gedragen, dat ze helemaal klaar zijn met dit gedoe en met hun  kinderen bij VVCV gaan voetballen. Dat is natuurlijk jammer voor de vereniging, maar ik kan die vaders en moeders heel goed begrijpen. Ik stop zelf trouwens ook aan het einde van dit seizoen, want iedere maand een avondje nutteloos vergaderen  hoeft voor mij  niet meer.’
De andere bestuursleden kijken Sjaak nogal geschrokken aan en doen hun uiterste best om hem op andere gedachten te brengen. Tijdens de discussie die hierdoor ontstaat, komen ze echter steeds weer op hetzelfde punt uit. De meerderheid wil namelijk met zeer zachte hand blijven regeren en vinden vrede blijkbaar belangrijker dan het vertrek van een gewaardeerd bestuurslid.