Corona maakt ook veel duidelijk.

Geschreven door Johan Staal op . Geplaatst in Columns

De column van Henk Doppenberg gaat deze keer over een vader die meer getrouwd is met de voetbalclub dan met zijn vrouw. Een vader van het soort onmisbaar te zijn maar wat in de praktijk vaak wel meevalt

Henk Doppenberg  www.henkdoppenberg.nl
Dave, zet alsjeblieft die televisie wat zachter. Het is hier namelijk geen café of iets dergelijks, maar een gewoon woonhuis.’
Zo hard staat de tv toch niet?’
‘Ik zeg je dat hij zachter moet en anders ga je maar naar je kamer. Daar kun je immers ook kijken.’ 'Best. Ik ga al. Gezellig hoor.’
‘Ik zou mijn grote mond trouwens maar houden, want anders blijf je de rest van de week binnen. Misschien dat je het dan eens leert, want nu is het elke keer hetzelfde liedje met je.’‘Ik doe niets, maar jij maakt van een mug een olifant.’ Nu is het genoeg. Ga maar naar boven en ik wil je de eerste paar dagen niet meer zien.’  ‘Best, dan ga ik wel naar een van mijn vrienden. Zo leuk is het hier immers niet, sinds er geen voetballen meer is. Je doet namelijk niets anders dan mopperen. Net of wij er iets aan kunnen doen dat vanwege het virus alles stil ligt bij SMV.’ ‘Ga uit mijn ogen.’
Ted is met een door woede getekend gezicht opgesprongen en lijkt al schreeuwend op zijn zoon af te willen vliegen. Die kiest echter eieren voor zijn geld en loopt snel de kamer uit om naar boven te gaan. Als Ted weer gaat zitten, ziet hij twee paar verwijtende ogen in zijn richting priemen. Namelijk die van zijn vrouw en van zijn dochter. Hoewel ze geen van beiden iets zeggen, maken ze hem nog veel bozer dan  hij al was. ‘Hebben jullie soms ook nog iets te zeuren? Zeg het dan nu gelijk maar, want ik begin er inmiddels aan te wennen dat het hier alle dagen wat is.’
Annabel, Teds dochter, wil wat zeggen, maar krijgt van haar moeder, Emma, een teken dat ze moet zwijgen. ‘Er is er maar één die al deze ellende veroorzaakt en dat ben jij zelf. Dave had net namelijk volkomen gelijk. Je doet niets anders meer dan mopperen en irriteert je aan alles wat we doen. Je zoon zei het ook al, maar het lijkt net of je ons er de schuld van geeft dat er momenteel even geen voetballen is. Volgens mij meen je trouwens dat jij hier de enige bent die daar last van heeft, maar Dave en Annabel kunnen ook niet naar de vereniging en die doen net zo normaal als anders.’
Teds vrouw wil nog meer zeggen, maar krijgt daar geen kans voor. Ted geeft namelijk een enorme dreun met zijn vuist op tafel en begint opnieuw als een woesteling te schreeuwen.
‘Natuurlijk. Geef mij de schuld maar weer. Jij bent net als je kinderen. Schreeuwen en zeuren. Iets anders kunnen jullie blijkbaar niet. Wat mij betreft begint het voetballen morgen weer, want dan hoef ik tenminste niet meer iedere avond in dit gekkenhuis te zijn. Jullie lijken wel een stelletje ordinaire viswijven. Nou, ik ga weg en kijken of er ergens anders nog wel een beetje gezelligheid te vinden is.’
Voor zijn vrouw kan reageren, is Ted de kamer al uit gerend. In de gang grist hij snel een jas van de kapstok en een paar minuten later fietst hij als een bezetene de straat uit. Hij heeft alleen geen flauw idee waar hij heen moet, want alle plekken waar normaal gesproken mensen bij elkaar komen, zijn immers gesloten. Veel meer dan een stukje of stuk fietsen, kan hij dus niet en daarna zal hij toch weer naar huis moeten. De gedachte aan opnieuw een groot deel van de avond thuis te zitten, maakt hem echter nog veel somberder dan hij al was. Zeker als hij aan de berichten in de media denkt, die voorspellen dat de huidige situatie voor wat betreft de crisis nog wel een tijdje duurt.

Als hij langs het voetbalveld komt en meent dat er in de kantine een flauw lichtje brand, voelt hij zich opeens weer wat beter. Mensen in de kantine betekent immers een gezellig praatje over voetbal. Plus misschien ook een paar biertjes en daar is hij vanwege alle ellende thuis inmiddels wel aan toe. Hij lijkt pech te hebben. Als hij dichterbij komt, ziet hij namelijk dat het licht inmiddels uit is en de kantinebaas bij de achterdeur staat om de boel af te sluiten. Daarom fietst hij nog even wat harder om in ieder geval even te kunnen kletsen.
Hoi Anton. Wat een toestand zo of niet? Ik zit nu al een week elke avond bij mijn vrouw en wordt langzamerhand stapelgek.’ ‘Ja, het is niet leuk dat er geen voetbal is. Er zijn echter veel ergere dingen. Als ik op tv de beelden van die zieke mensen zie, vind ik het feit dat ik even niet naar de vereniging mag namelijk maar een kleinigheidje. Je moet er toch niet aan denken dat jij of iemand uit je gezin of familie daar ligt.’
Hoewel Ted vindt dat de kantinebaas gigantisch overdrijft, doet hij net of hij het helemaal met hem eens is.
‘Je hebt gelijk. Het voetballen is geweldig leuk en gezellig, maar gezondheid is veel belangrijker. Toch mis ik het enorm en ik zal zeer waarschijnlijk niet de enige zijn die dat doet.’ Dat denk ik ook niet, maar volgens mij zijn de meeste mensen wel blij dat het kabinet de maatregelen flink heeft aangescherpt. Nu is er tenminste een kans dat het virus binnenkort onder controle is en we alles weer kunnen doen wat we graag willen. Als je zin in een bakje koffie hebt, moet je me trouwens even achterna fietsen. Je weet waar ik woon.’
‘Bedankt voor het aanbod, maar ik ga thuis koffie drinken. Leuk je even gesproken te hebben en tot ziens dan maar.’ ‘Oké Ted. Ik hoop de kantine snel weer open te mogen doen.’ ‘Was het maar vast zover.’
Ted fietst met een lach op zijn gezicht weg, maar in werkelijkheid ergert hij zich groen en geel aan Anton. Hij vindt hem namelijk nog erger dan al die zuurpruimen die elke avond op de televisie te zien zijn en kan zich niet voorstellen dat die kerel écht van gezelligheid houdt. Nou, hij wel en daarom besluit hij om eerst nog een rondje door het dorp te fietsen voor hij naar huis gaat. Stel je immers voor dat hij nu wel iemand tegenkomt. Dit lijkt, helaas voor hem, echter tegen te vallen, want de straten zijn bijna uitgestorven en de enkeling die hij ziet, kent hij niet.
Net als hij besloten heeft om dan toch maar naar huis te gaan, wordt hij ingehaald door een auto die net voor hem stopt. Als hij kijkt wie het is, blijkt het Tjaard, een goede vriend van de voetbalclub, te zijn. Ha man. Hoe is het met je?’ Ja, wat zal ik zeggen. Ik ben gelukkig niet ziek, maar baal gigantisch van alle beperkingen die we opeens hebben en hoe gaat het trouwens met jou?’ ‘Ik word gek van het thuiszitten, maar verder gaat het prima.’‘Ga je even mee een biertje drinken? Mijn zonen hebben hierachter een keet, maar die gebruiken ze alleen op zaterdag en zondag. Dus zullen ze het geen probleem vinden als wij er nu even gaan zitten. Als we ze normaal voor het bier betalen, verdienen ze immers ook nog iets aan ons.’ Ik vind alles best. Het belangrijkste is namelijk voor me dat ik niet weer de hele avond thuis hoef te zitten.’
Als de mannen vijf minuten later aan een biertje zitten, krijgen ze het automatisch weer over de crisis. ‘Dat corona is heel beroerd voor de mensen die het hebben, maar voor mij is het ook niet goed. Man, man, ik ben nog nooit zo vaak thuis geweest als de laatste weken en werkelijk iedere avond is hetzelfde. Op televisie lijken ze alleen nog over dat virus te kunnen praten en mijn vrouw en kinderen doen niets anders dan zeuren. Ik word er zo langzamerhand zwaar depressief van. Tjonge, jonge.’ ‘Is je huwelijk niet goed dan?’ ‘Het kan natuurlijk altijd beter, maar volgens mij gaat het niet slecht. Ik hou er alleen niet van om elke avond thuis te zijn en moet een beetje mijn eigen gang kunnen  gaan.’ Ja, dat kan. Lust je trouwens nog een biertje?’‘Graag.’
Na een paar pilsjes vinden de mannen het steeds gezelliger worden en daarom is het al elf uur geweest als Tjaard besluit om een eind aan het feest te maken. ‘Ik ga naar binnen, want ik moet er morgen weer vroeg uit en je vrouw zal zich inmiddels vast wel afvragen waar je blijft?’Zullen we er nog eentje nemen?’ ‘Nee, ik ga naar binnen. Wat mij betreft mag je morgen gerust terugkomen, maar breng dan je vrouw ook mee. Met z’n vieren is het vast veel gezelliger.’
‘Dat hoef ik niet te vragen, want daar heeft ze toch geen zin in.’ ‘Weet je het zeker?’ ‘Ja.’
Kom dan vrijdagavond weer. Dan vraag ik Erik en Wim ook en maken we er met z’n vieren een leuk avondje van. Het mag van mij dan trouwens wel wat later worden, want mijn vrouw is dit weekend naar haar zus en hoeft dan dus niet de hele avond alleen te zitten.’ ‘Best. Tot vrijdag en hier heb je geld voor het bier.’
Mede door het genuttigde alcohol fietst Ted met een heerlijk gevoel naar huis. Als hij thuis de kamer binnenkomt, is het echter snel gedaan met zijn goede humeur. Zijn vrouw zit namelijk met een treurig gezicht op hem te wachten. ‘Waarom kijk je zo triest? Heeft het kabinet ons nu soms ook al verboden om een beetje vrolijk te zijn?’ ‘Sorry, maar ik ben totaal niet in de stemming voor die flauwe grapjes van je. Ik heb me namelijk enorm ongerust gemaakt en ben hartstikke boos en verdrietig.’
‘Nou, dat is een hele mond vol. Vertel, wat heb ik nu weer fout gedaan.’
‘Moet ik je dat echt uitleggen? Vind je het soms normaal om kwaad weg te lopen en tegen half twaalf pas thuis te komen. Waar ben je geweest? Ik heb je zeker tien keer gebeld, maar blijkbaar vond je me niet belangrijk genoeg om op te nemen. Je hebt trouwens behoorlijk gedronken en ben ik echt zo’n vreselijk mens dat je niet een aantal avonden bij me thuis kunt zitten? We zijn toch immers niet voor niets getrouwd. Of hou je soms niet meer van me en ben je op zoek naar een ander?’
Ted lijkt eerst meteen door te willen lopen naar boven, maar geeft zijn vrouw dan toch antwoord.
‘Mijn telefoon stond uit, dus ik heb je niet gehoord. Sorry. Het was niet mijn bedoeling om je ongerust te maken. Verder is er niets aan de hand. Ik kwam Tjaard tegen en die nodigde me uit voor een biertje bij hem thuis. We hebben heel gezellig over voetbal zitten praten en daarom is het wat later geworden. ’ ‘Dat doe je dus liever dan bij mij zijn.’
‘Daar gaat het helemaal niet om, maar met hem kan ik zinnig over voetbal praten en met jou niet. Komende vrijdag ga ik trouwens weer en dan komen Erik en Wim ook. Dat zal dus best heel gezellig en laat worden.’ ‘Je weet dat ik er nooit een probleem van maak dat je vaak naar het voetbalveld bent en als ik vanavond geweten had waar je was, had ik het ook niet erg gevonden. Dat je me vrijdag weer alleen wil laten zitten, vind ik echter verre van leuk en dat lijkt me niet onredelijk.’ ‘Mij wel. Ik mag toch immers wel een pleziertje hebben. Ik heb veel meer last van dat coronavirus dan jij, hoor. Jij bent overdag lekker thuis en kunt gewoon boodschappen doen, maar ik moet elke dag oppassen dat ik op mijn werk niet besmet wordt en kan niet eens meer naar het voetballen.’ ‘Man, doe toch niet zo zielig. Er zijn namelijk nog veel meer kerels die even  niet naar hun vereniging kunnen, maar die doen echt niet allemaal zo raar als jij en weet je hoe dat komt?’
‘Nee, vertel.’ ‘Die vinden het fijn om bij hun gezin te zijn en maken het daarom nu thuis gezellig.
Een mooi verhaal, maar een echte kerel wil naar het voetbalveld en niet thuis op de bank zitten.’

Teds vrouw krijgt plotseling moeite om zich te beheersen.
‘Zal ik je eens vertellen hoe een echte man in elkaar zit?’
‘Probeer het maar.’ ‘Een echte vent reageert zijn frustraties niet op zijn vrouw en kinderen af. Jij baalt ervan dat je niet naar het voetbal kan en dat mag, maar het is erg zwak van je om daarom zo chagrijnig tegen ons te doen en er ook nog eens alleen op uit te trekken. Ik heb nu echter genoeg tegen je gezegd en ga slapen. Welterusten.’
Het wordt een beroerde nacht voor Ted zijn vrouw. Eerst kan ze namelijk met geen mogelijkheid in slaap komen en iets na half zes wordt ze met een behoorlijk grieperig gevoel wakker. Dit zorgt voor heel veel schrik, want ze denkt er meteen aan dat dit best eens coronaverschijnselen kunnen zijn en ze zich dus zal moeten laten testen. Als ze hier even over nadenkt, wordt ze zo angstig dat er van slapen niets meer komt en daarom gaat ze voor zes uur al naar beneden.
Daar begint ze zich echter steeds meer zorgen te maken en daarom is ze blij als het eindelijk zeven uur is en Ted de kamer binnenkomt.
‘Hoi, wat ben jij vroeg?’
‘Ja, ik voel me behoorlijk grieperig en zit hier al vanaf een uur of zes.’ ‘Had je dan niet beter op bed kunnen blijven?’ Misschien wel, maar daar lag ik ook niet rustig meer.’
‘Waarom niet?’Dat is natuurlijk een domme vraag. Ik vrees namelijk dat het corona is en ga zo bellen om me te laten testen.’ ‘Zou je dat wel doen?’ ‘Natuurlijk doe ik dat.  Hoe sneller ik erbij ben, des te beter het is. Tenminste, dat denk ik.’ ‘Het zal best meevallen, maar je moet zelf weten wat je doet. De auto is thuis, dus je kunt gaan en staan waar je wil. Nou, ik ga naar mijn werk en hoor vanavond wel hoe het afgelopen is.’

Als Ted de deur uit is gelopen, zakt zijn vrouw verdrietig achterover en zijn er al snel tranen. Natuurlijk vanwege de spanning of ze wel of niet corona heeft, maar nog veel meer om het gedrag van Ted. Die vroeg namelijk niet eens hoe ze zich voelde, bood niet aan om mee te gaan naar een teststraat en zei alleen maar dat het wel mee zou vallen. Hij heeft haar zelfs niet eens even geknuffeld of gezoend en sterkte gewenst.

Dit samen met zijn gedrag van de laatste anderhalve week, zorgt ervoor dat ze zich opeens heel veel zorgen over haar huwelijk begint te maken. Hoe kan ze immers verder met een man die alleen aan zichzelf denkt en haar amper serieus neemt. Natuurlijk kan het best zijn dat ze door alle omstandigheden nu wat overdrijft, maar ze wil hier binnenkort wel een keer met hem over praten.

Als na een tijdje haar tranen op lijken te zijn, dwingt ze zich om overeind te komen en naar boven te gaan om zich te wassen en aan te kleden. Omdat dit haar vrij veel moeite kost, is ze blij als ze ruim drie kwartier later weer beneden zit. Wanneer ze belt voor een afspraak om zich te laten testen en hoort dat ze, geheel tegen haar verwachting in, twee uur later al terecht kan, is ze echter nog veel gelukkiger.

Het testen gaat vrij snel, want iets meer dan een uur later is ze alweer terug. De stress van de test, de angst voor de uitslag en het rijden met de auto, zorgen er echter samen met haar griepsymptomen wel voor dat ze de hele middag uitgeteld op de bank ligt. Ze voelt zich zelfs zo geradbraakt, dat ze voor het eerst sinds ze getrouwd zijn een keer niets aan het eten doet.

Als Ted uit zijn werk komt, blijkt hij daar helaas weinig begrip voor te hebben.
‘Heb je niet gekookt?’ ‘Nee, want ik voelde me te lamlendig om van de bank te komen. Sorry, maar je moet nu echt een keer voor jezelf zorgen. Er ligt vast nog wel iets om in de magnetron te doen.’‘Kun jij dat niet even voor me doen? Ik weet niet hoe dat ding werkt.’
‘Nee, mag ik ook een keer ziek zijn? Het is trouwens heel eenvoudig. Klep open, eten erin en op start drukken. Met vijf minuten is het warm. Ben je trouwens niet benieuwd hoe het testen gegaan is?’

‘Natuurlijk wel. Viel het mee? Ik hoop niet dat je corona hebt, want dan mag ik voorlopig ook het huis niet uit. Wanneer krijg je de uitslag?‘Uiterlijk morgenavond.’
‘Je weet toch dat ik dan weg ben?’ Blijf je vanavond trouwens op de bank liggen?’
Ja, dat was mijn bedoeling, want boven lig je zo eenzaam. Hoezo trouwens?’
‘Nou, er zijn twee voetbalwedstrijden op tv en ik weet niet of je daar naar wil kijken en tegen het geluid kunt. Het is misschien dus toch handiger om naar bed te gaan.’

Emma knikt, zegt verder niets en sluit haar ogen. Haar gevoel dat Ted heel veel om zichzelf en bedroevend weinig om haar geeft, is de laatste minuten nog veel sterker geworden en dat zorgt ervoor dat ze zich steeds zieker gaat voelen. Ze zou zijn steun dus heel goed kunnen gebruiken. Vooral omdat ze iedere minuut meer begint te geloven dat ze echt corona heeft en wie weet immers wat haar dan te wachten staat.
Het dringt echter ook steeds meer tot haar door hoe slecht haar huwelijk is en dat wordt de volgende dag nog veel erger. Ted kijkt namelijk amper naar haar om, doet boos als ze weer geen eten heeft gemaakt en gaat, terwijl zij angstig op de uitslag van de test ligt te wachten, ’s avonds gewoon naar zijn vrienden.

Ze vraagt wel of hij  bij haar wil blijven, maar zijn antwoord is duidelijk.
‘Waarom zou ik dat doen? Als je corona hebt, moet ik de komende twee weken ook al thuis blijven en als er niets aan de hand is, ben ik voor niets thuisgebleven. Plus dat ik er na een week hard werken echt naar uitkijk om weer eens gezellig met mijn vrienden over voetbal te praten.
Emma antwoordt niet, want de tranen zitten haar te hoog om te kunnen praten en ze vertikt om hem haar verdriet te laten zien. Als ze net na negen uur bericht krijgt dat ze geen corona heeft, neemt ze, na eerst even heel blij te zijn geweest, echter al snel erna het definitieve besluit om met haar huwelijk te stoppen. In een man die voor alles leeft behalve voor zijn gezin, ziet zij namelijk geen toekomst meer.