Ouders die nergens mee willen helpen

Geschreven door Henk Doppenberg op . Geplaatst in Columns

Met regelmaat komt er een vraag over de voetbalverhalen die Henk Doppenberg ooit schreef en die ik mocht plaatsen op Puurvoetbalonline. Voetbalverhalen die voor velen herkenbaar waren. Verhalen, zo liet Henk deze week weten, waar een vervolg op aanstaande is. In samenspraak met Henk heb ik daarom besloten om een aantal van zijn voetbalverhalen nogmaals de plaatsen als ‘opwarmertje’ naar de nieuwe verhalen die ook weer over alles wat zich in de voetbalwereld afspeelt zullen gaan. Maar dit verhaal gaat over Leen die er na een seizoen als jeugdleider al helemaal klaar mee is.
De profielfoto van Henk Doppenberg, Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon  Bron www.henkdoppenberg.nl 

Leen,  dit seizoen voor het eerst leider en trainer van de D3 , heeft de ouders van al zijn spelers uitgenodigd om vanavond een aantal praktische zaken rondom het team te komen bespreken. Hij heeft iedereen zowel schriftelijk als per mail een uitnodiging gestuurd en omdat niemand heeft afgezegd, loopt hij rond kwart over zeven met een goed gevoel de kantine van zijn club Tongerense Boys in. Als hij straks goede afspraken met de ouders kan maken over het wassen van de shirts, het rijden naar uitwedstrijden en het aanmaken van een groepsapp, scheelt hem dat het komende seizoen immers heel veel werk. Omdat hij minimaal veertien mensen verwacht, vraagt hij achter de bar twee kannen koffie plus suiker en melk en daarmee gaat hij in de bestuurskamer zitten wachten tot iedereen er is. Als rond vijf voor half achter een vader en een moeder binnenkomen, heet hij ze van harte welkom, voorziet hij ze direct van koffie en loopt hij naar het raam om te kijken of de rest er ook al aan komt. Hij ziet echter niets en als hij na even op zijn horloge ziet dat het inmiddels half acht is geweest, begint hij zich toch wat ongerust te maken. Zeker als hij de aanwezige moeder hoort zeggen: ‘Sommige mensen komen nu eenmaal altijd te laat, maar ik vrees dat de opkomst vanavond niet erg hoog zal zijn.’

Lage opkomst

Leen heeft inmiddels hetzelfde gevoel gekregen, maar de komst van ouder nummer drie geeft hem weer iets moed. Als hij de man koffie heeft gegeven en ziet dat het bijna kwart voor acht is, weet hij echter zeker dat de door hem met zoveel enthousiasme geplande ouderavond op een fiasco is uitgedraaid. Hij besluit daarom gelijk maar een einde aan deze bijeenkomst te maken. ‘Omdat ik geen afmeldingen had, ging ik er vanuit dat we hier vanavond met minimaal veertien ouders zouden zitten. Dat valt dus flink tegen. Omdat ik het niet eerlijk vind om te vragen wie van jullie de tenues wil gaan wassen en of jullie om de veertien dagen mee willen rijden naar uitwedstrijden, lijkt het me goed om nog een kopje koffie te nemen en dan maar naar huis te gaan.’ De mensen knikken een keer, maar zorgen er ook voor dat Leens avond niet helemaal voor niets is geweest. ‘Ik wil de tenues wel wassen, hoor. Zelf ben ik er niet elke zaterdag, maar mijn man wel. Als hij de tas dan meeneemt, is alles bij de volgende wedstrijd weer gewassen terug.’ ‘Dat zou mooi zijn, mevrouw. Bedankt. Als u hier uw bankrekeningnummer even op wil schrijven, dan kan ik dat aan de penningmeester doorgeven. U krijgt van de vereniging namelijk een vergoeding voor het wassen.’ ‘Dat is mooi, maar niet noodzakelijk hoor. Ik heb vijf kinderen en was toch al regelmatig. Een wasje meer of minder maakt dus niet uit.’ ‘Dacht iedereen er maar zo over, mevrouw. Ik vind echter dat u het volste recht op een ruime vergoeding heeft. Zeker als ik vanavond ervaar dat de betrokkenheid van de andere ouders nogal wat te wensen overlaat.’ ‘Ja, ze laten je wel in de steek.’

Rijschema

Als Leen het briefje met de vrouw haar bankrekeningnummer in zijn mapje heeft gestopt, blijkt ze nog niet te zijn uitgesproken. Mijn man wil trouwens ook wel rijden hoor. Hij is er toch altijd.’ ‘Ik ook wel.’ ‘En ik ook.’ Omdat Leen zelf ook een auto heeft, is zijn vervoersprobleem hiermee ook opgelost. Als hij tenminste op het aanbod van de ouders in gaat en daar twijfelt hij nog heel erg over. ‘Ik ben echt heel blij dat jullie het team en mij zo willen helpen, maar op deze manier hoeven de mensen die er vanavond niet zijn helemaal niets te doen en dat vind ik niet kloppen. Zeker ook omdat we van de club een vergoeding krijgen voor de brandstof en dat geld meestal gebruikt wordt om leuke dingen voor het team te doen. Als jullie gaan rijden, wil ik dus ook dat jullie die brandstofvergoeding onder elkaar verdelen. Voor teamuitjes moet iedereen dan maar apart betalen. ’De ene vader begint te lachen. Ik vind wel dat je gelijk hebt en vermoed dat mevrouw en meneer hier net zo over denken, maar besef wel dat je het er jezelf hiermee niet gemakkelijker op maakt en de kinderen met een beetje pech de dupe van alles worden.’ ‘Hoezo?’ ‘Ten eerste hebben veel mensen nog nooit voor een teamuitje hoeven te betalen en zullen ze dat nu niet ineens wel gaan doen. Tenminste niet zonder er eerst een berg stampij over te maken. Verder zijn er mensen die alles te duur vinden en hun kinderen dus niet mee laten gaan. Plus dat je zelf steeds bij iedereen moet schooien om het geld binnen te krijgen.’ Leen voelt wel dat de man gelijk heeft en komt daarom met een ander voorstel. ‘Denken jullie dat het handiger is om een rijrooster te maken?’Ik wel. ‘Ja, ik ook.’ ‘En ik ook. Al moet je er dan wel bij zetten, dat iemand bij verhindering zelf voor een vervanger moet zorgen. Anders kun je zelf steeds op het laatste moment iedereen gaan zitten bellen om een andere chauffeur te krijgen. Het moet in zo’n geval trouwens ook een kwestie van onderling ruilen zijn. Anders zijn er weer die hun rijbeurt steeds aan een ander doorspelen en zelf nooit rijden. Dat soort grapjes heb ik namelijk al een paar keer meegemaakt bij de teams van mijn andere zoons.’ Als Leen, die nog niet zo heel lang jeugdleider is, de andere twee ouders ziet knikken, besluit hij om zeker wat met de tip van de vader te doen. ‘Bedankt voor het advies. Ik zou er zelf absoluut niet aan gedacht hebben. Jammer dat je zo op je hoede moet zijn, maar het is blijkbaar niet anders. Ik ga bij de wedstrijdsecretaris het jaarprogramma opvragen en zet het rooster vervolgens deze week nog op de mail. Daarnaast ga ik de afwezige ouders ook nog even een mailtje sturen dat ze me enorm zijn tegengevallen. Ze hadden me minimaal kunnen laten weten dat ze verhinderd waren en ik kan me trouwens niet voorstellen dat iedereen vanavond iets anders heeft.’ De ene vader, een al wat oudere man, begint wat te grijnzen. ‘Leen jongen. Je hebt helemaal gelijk dat je reageert,  want de opkomst van vanavond lijkt helemaal nergens op. Zeker omdat jij je vrije avond opoffert voor hun en onze kinderen. Verwacht alleen niet dat de mensen zich veel van je mail aantrekken. Er zijn er misschien best één of twee die de bijeenkomst echt vergeten zijn, maar het merendeel doet hun kind op voetbal en kijkt vervolgens verder nergens meer naar om.’ ‘Moet ik dat dan maar accepteren?’ ‘Nee, maar je verandert die mensen ook niet.’ ‘Misschien moet ik me die illusie ook niet maken. In ieder geval bedankt dat jullie er wel waren en het voor mij toch nog een geslaagde avond hebben gemaakt.’

Rooster

Leen geeft de mensen een hand, giet de overgebleven koffie door de gootsteen, brengt de kannen, suiker en melk naar de kantine en gaat naar huis. Daar vraagt hij eerst bij de wedstrijdsecretaris de wedstrijdkalender op   en als hij die heeft, begint hij direct met zijn rooster. Hier is hij vrij snel klaar mee en daarom drukt hij net voor tienen al op de knop om de mail te versturen. Als hij dat gedaan heeft, zet hij meteen zijn computer uit. Hij verwacht namelijk nogal wat vage excuses als antwoord te krijgen en heeft geen zin om al die onzin vanavond nog te lezen.  Als hij naar beneden loopt, zijn telefoon hoort en opneemt, heeft hij echter toch nog pech. ‘Met Leen Laters.’‘Hallo, met Inge Winter. Ik bel even over de mail die ik net van u kreeg. Ten eerste heb ik de mail met uw uitnodiging voor vanavond helemaal niet gehad, want anders was ik zeker gekomen. Kunt u niet een nieuwe avond plannen, zodat we er allemaal wel kunnen zijn?’ ‘Nee mevrouw. Iedereen heeft een uitnodiging gehad per post en per mail, dus iedereen moet geweten hebben dat we vanavond bij elkaar zouden komen.’ ‘En als niemand de uitnodiging dan heeft gehad.’ ‘De drie ouders die er wel waren, wisten toch ook dat er een bijeenkomst gepland was en het is wel heel toevallig dat zowel een mailtje als een envelop niet aankomt.’ ‘Nou, dan weet ik het ook niet. Ik zal straks wel eens aan mijn man vragen of die er soms iets van wist. Dan over het rijden. Waarom staan wij er vijf keer op en een aantal anderen vier keer? Plus dat wij helemaal niet kunnen rijden, want mijn man mag zijn auto van de zaak niet privé gebruiken.’ ‘Omdat ik in totaal zestig auto’s nodig denk te hebben, ontkom ik er niet aan om een aantal mensen er vijf in plaats van vier keer op te zetten en u bent daar één van. Verder heb ik er alle begrip voor dat uw man zijn bedrijfsauto niet voor zichzelf mag gebruiken, maar jullie hebben toch twee auto’s?’ ‘O ja, dat was ik even vergeten. Dan heb ik nog een vraag. Als mijn zoontje ziek is, moeten we dan ook rijden? ‘Dat is wel de bedoeling of u moet dus ruilen met een ander.’ ‘Ja. Nou, dan weet ik genoeg.’

Humeur verpest

Leens humeur is door dit telefoontje zo verpest, dat hij van ergernis naar bed gaat en zich daar steeds kwader maakt. Als hij op een gegeven moment weer denkt aan de betrokkenheid van de drie mensen die er wel waren, wordt zijn stemming echter snel beter en daarom valt hij tegen half één eindelijk in slaap. Om een herhaling van gisteravond te voorkomen, kijkt hij de volgende ochtend niet of hij mail binnengekregen heeft, maar gaat hij direct naar zijn werk. Daarmee schuift hij de problemen echter alleen maar voor zich uit, want als hij ’s avonds na het eten zijn computer aanzet, blijken er nog vijf ouders te hebben gemaild. Hun verhalen zijn bijna allemaal gelijk. Ten eerste hebben ze Leens eerste mail en ook de papieren uitnodiging niet gehad en verder hebben ze de nodige zaterdagen waarop ze toch echt niet kunnen. Omdat ze het niet zien zitten om die dagen te ruilen met andere ouders en Leen al het gedoe onderhand meer dan zat is, besluit hij maar een nieuw rijrooster te maken.  Helaas kan ook de nieuwe versie niet de goedkeuring van iedereen wegdragen en duurt het nog twee pogingen voor alle ouders uiteindelijk tevreden zijn. Hoewel Leen nu al weet dat hij na dit seizoen absoluut niets meer met het merendeel van deze ouders te maken wil hebben, besluit hij toch zijn best te doen om er voor de kinderen een leuk jaar van te maken. Daarom gaat hij de eerste zaterdag van de competitie met een enthousiast gevoel naar het voetbalveld, maar daar wordt hij een  half uurtje later bijna gek van woede. Als ze om negen uur zullen vertrekken, zijn er namelijk geen vier maar twee ouders om te rijden. Daarom pakt hij zijn telefoon om te bellen waar ze blijven, maar dat maakt zijn stemming nog veel beroerder. ‘Met Van Tonningen.’ ‘Hallo, met Leen Laters, de leider van uw zoontje. U of uw vrouw zouden vandaag voor ons rijden, maar ik vraag me af waar jullie blijven. We zouden volgens afspraak om negen uur vertrekken en het is inmiddels vijf over negen geweest.’ ‘Ik weet nergens van en sta op het punt om samen met mijn vrouw een dagje naar mijn schoonouders te gaan.’ ‘U heeft vier of vijf mailtjes van me gehad met het rooster om te rijden.’ ‘Niet gezien, maar wij kunnen trouwens bijna nooit ’s zaterdags.’ ‘Ik heb nu geen tijd meer om met u te praten en bel komende week nog wel een keer terug. Als we geen auto’s genoeg hebben, kunnen we trouwens niet voetballen en ziet u uw zoontje met een kwartiertje wel weer verschijnen.’ ‘Kunt u hem dan niet even naar mijn ouders aan de Haakweg brengen, want wij zijn niet thuis?’ Leen zegt niets meer, maar verbreekt ziedend van woede de verbinding om de volgende ouder te bellen. De vrouw die opneemt, maakt het echter nog bonter dan de vader die hij net gesproken heeft. Op de vraag waar ze blijft, antwoordt ze namelijk: ‘U denkt toch niet dat u ons kunt verplichten om voor uw voetbalteam te rijden. We willen er best een keer met u over praten, maar dan moet u het eerst wel normaal komen vragen.’ ‘Op dit soort arrogantie ga ik niet in, mevrouw. De groeten. Wij gaan voetballen.’ Als Leen wit van razernij de telefoon in zijn zak stopt, ziet hij dat de twee vaders die destijds op de ouderavond hun auto’s al vol met kinderen hebben en vertrekken ze, zij het met vertraging, toch nog. Voor de leider is de maat echter vol en onderweg belt hij al met het jeugdbestuur om ze te vertellen dat hij er na dit seizoen mee stopt. Hij houdt van voetbal en gaat graag met kinderen om, maar heeft namelijk geen zin om zich door de ouders als kwajongen te laten gebruiken…..